Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 12 april 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:3286
Feiten
Werkneemster is op 1 februari 2020 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van kandidaat-notaris. Op 6 november 2020 heeft werkgeefster aangegeven dat zij het dienstverband niet wenste voort te zetten. Zij heeft werkneemster een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar werkneemster heeft niet met dit beëindigingsvoorstel ingestemd. Werkneemster heeft zich op 19 november 2020 ziek gemeld; op dat moment was het verzoekschrift al ingediend. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), dan wel op de h-grond (andere omstandigheid) of de i-grond (combinatie van omstandigheden). Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat werkneemster een geheel andere werkwijze hanteert dan de werkwijze van werkgeefster en dat zij weigert zich aan te passen. Daarnaast zou werkneemster geen kritiek aanvaarden, geen zelfreflectie tonen en instructies niet of te laat opvolgen. De houding en de handelwijze van werkneemster zouden ook zijn weerslag hebben gehad op de klanten en het overige personeel van het kantoor. Werkneemster erkent dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam verstoord is geraakt, maar stelt dat dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster, nu zij op 6 november ‘compleet is overvallen’ door de wens van werkgeefster om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ze stelt dat werkgeefster nooit kenbaar heeft gemaakt dat sprake zou zijn van disfunctioneren en er evenmin een verbetertraject is aangeboden. Zij verzoekt de kantonrechter aan haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 120.000 bruto.
Oordeel
Grond voor ontbinding en recht op billijke vergoeding
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsrelatie tussen hen duurzaam is verstoord. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond zal dan ook worden toegewezen, onder toekenning van de transitievergoeding. Vervolgens zal moeten worden beoordeeld of werkneemster recht heeft op een billijke vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verstoring van de arbeidsrelatie ontstaan tijdens het gesprek tussen partijen op 6 november 2020. Werkneemster is na dat gesprek met directe ingang en zonder redelijke en zwaarwegende grond op non-actief gesteld en ook is haar de toegang tot de digitale systemen ontzegd. Zij heeft geen afscheid kunnen nemen van haar collega’s en nauwelijks haar werkzaamheden in lopende dossiers kunnen afronden. Deze handelswijze van werkgeefster getuigt naar het oordeel van de kantonrechter niet van goed werkgeverschap. Voorts is van belang dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet is komen vast te staan dat werkgeefster aan werkneemster op een eerder moment duidelijk heeft gemaakt dat haar wijze van functioneren onvoldoende zou zijn en dat dit, zonder verbetering, op termijn zou leiden tot een beëindiging van het dienstverband. Werkneemster hoefde hier ook niet op bedacht te zijn, nu zij als zeer ervaren kandidaat-notaris werd binnengehaald, volop werd ingezet en recentelijk nog werd benoemd tot voorzitter van de sectie Familierecht. Het feit dat werkgeefster gaandeweg moeite kreeg met de werkwijze van werkneemster ligt voor een groot deel in haar risicosfeer nu zij met het in dienst nemen van werkneemster welbewust een zeer ervaren kandidaat-notaris heeft aangenomen. Gelet op de ruime werkervaring van werkneemster kon werkgeefster verwachten dat zij zich een bepaalde werkwijze eigen had gemaakt. Indien het kantoor daar niet voor openstond, of anderszins had gewenst, had het op haar weg gelegen om hierover bij aanvang van het dienstverband duidelijke afspraken te maken met werkneemster of gaandeweg het dienstverband haar verwachtingen daaromtrent duidelijk kenbaar te maken en schriftelijk vast te leggen. Daarvan is niets gesteld of gebleken. Al met al heeft werkgeefster werkneemster veel verwijten gemaakt ten aanzien van haar functioneren, maar haar daarop niet aangesproken, zodat werkneemster niet de kans heeft gekregen om haar functioneren te verbeteren, terwijl dit vermeende disfunctioneren wel de oorzaak is van het verstoord raken van de arbeidsverhouding. Inmiddels is de verhouding dusdanig verstoord, dat een verbetertraject niet alsnog mogelijk is. De kantonrechter komt tot de conclusie dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en werkneemster recht heeft op een billijke vergoeding.
Hoogte billijke vergoeding
Werkneemster heeft de billijke vergoeding begroot op € 120.000 bruto en is er daarbij van uitgegaan dat het dienstverband nog meerdere jaren zou voortduren. Werkneemster heeft zich na de datum van indiening van het verzoekschrift ziek gemeld, maar uit de stukken blijkt volgens de kantonrechter niet hoe lang deze ziekte zal voortduren. Daarnaast heeft werkgeefster aangevoerd dat er grote vraag is naar ervaren kandidaat-notarissen. Evenmin is gebleken dat de coronacrisis een negatieve invloed heeft (gehad) op het vinden van een baan in het notariaat. Het ligt derhalve voor de hand dat werkneemster, zodra zij is hersteld, mede gelet op haar jarenlange ervaring, binnen afzienbare tijd een andere baan in het notariaat zal kunnen vinden. Dit neemt niet weg dat een andere baan mogelijk niet dezelfde arbeidsvoorwaarden kent. Tevens bouwt werkneemster geen pensioen op in de periode van werkloosheid. Dit klemt temeer nu werkneemster momenteel arbeidsongeschikt is. Mede gelet op de geuite kritiek over het functioneren van werkneemster, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst nog jaren zou voortduren. Ook de lengte van het dienstverband (werknemer was slechts negen maanden in dienst) speelt mee in de beoordeling. Alles bij elkaar genomen kent de kantonrechter werkneemster een billijke vergoeding toe van € 17.500 bruto.