Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Koolman & Co V.O.F.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 5 juli 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:3895
Kapster die een kappersstoel huurt, is geen werkneemster. Met deze constructie heeft zij bewust gekozen voor het ondernemerschap.

Feiten

X en Koolman & Co V.O.F. (hierna: Koolman) zijn op 18 januari 2019 een overeenkomst met elkaar aangegaan met het opschrift ‘Huur- (ex art. 7:290 BW) en Samenwerkingsovereenkomst’. In de overeenkomst wordt onder meer afgesproken dat Koolman X in de gelegenheid stelt gedurende een bepaalde periode voor eigen rekening en risico een eigen kapsalon te voeren vanuit het pand in eigendom van Koolman. X krijgt de bedrijfsruimte in onderhuur. Bij aangetekende brief van X van 30 maart 2021 heeft X de arbeidsovereenkomst met Koolman opgezegd tegen 30 april 2021. Tussen partijen is hierna gecorrespondeerd, onder meer over de vraag hoe de verhouding van partijen juridisch gekwalificeerd moet worden. In die correspondentie is bij e-mailbericht van 29 april 2021 namens X aan Koolman geschreven dat de opzegging wordt ingetrokken en dat X haar werkzaamheden na 30 april 2021 zal voortzetten. X verzoekt voor recht te verklaren dat vanaf een nader vast te stellen datum sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen X en Koolman, de arbeidsovereenkomst te ontbinden en aan X een billijke vergoeding toe te kennen.

Oordeel

De kantonrechter overweegt dat uit hetgeen aan bod is gekomen aan feiten en omstandigheden niet blijkt dat de elementen ‘loon’ en ‘in dienst’ aanwezig zijn zoals bij een arbeidsovereenkomst. X heeft immers bij aanvang van de arbeidsovereenkomst bewust gekozen voor het ondernemerschap omdat dit meer vrijheid gaf. Zij heeft zich vervolgens ook als ondernemer gedragen door zich in te schrijven bij de KvK en de fiscale gevolgen van ondernemerschap na te komen. Het zijn van ondernemer is een indicatie voor het niet-zijn van werknemer. Voor Koolman is de kernactiviteit het exploiteren van een salon en daarbinnen is het werk van kapsters/haarstylistes zoals X de kernactiviteit. Het betreft echter een ambachtelijke activiteit, die ook los van de salon door de beroepsuitoefenaar zelfstandig uitgevoerd kan worden. In zoverre is het gegeven dat X de kernactiviteit binnen de onderneming van Koolman verricht, geen aanwijzing voor een dienstverband. De omzet van X wordt bepaald door de door haar te werken uren en het door haar gekozen tarief. De vrijheid om zelf regie te hebben over de te werken uren, werktijden en vrije dagen en zelf de tariefgroep voor de inkomsten te bepalen, is eveneens een aanwijzing voor het zijn van zelfstandig ondernemer en het niet-zijn van werknemer.

Dat er een beperking is op de volledige vrijheid van werktijden en werkuren en overleg nodig is voor het werken op andere dagen is geen contra-indicatie. Dit is immers een logisch gevolg van een samenwerking met meerdere personen in een salon met een beperkt aantal stoelen. Ook de beperking op de volledige vrijheid van tariefbepaling is een logisch gevolg van het aangaan van een samenwerkingsverband en duidt op zich niet op een dienstverband. Ook de gang van zaken rond de betaling, waarbij de betaling door de klant plaatsvindt via het kassasysteem van Koolman, en Koolman – na aftrek van de overeengekomen 40% – vervolgens maandelijks een bruto-omzetbedrag uitbetaalt aan X, duidt niet op loonbetaling door Koolman. In het administratiesysteem wordt de betaling door de klant immers meteen aan X toegeschreven en is voor haar inzichtelijk dat dit haar omzet betreft. Het voorgaande brengt mee dat de verzoeken van werknemer, die uitgaan van de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst, niet toegewezen kunnen worden.