Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 juli 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:3666
Gevorderde billijke vergoeding afgewezen. Onvoldoende is komen vast te staan dat de uitval wegens ziekte van werkneemster was gelegen in de, volgens werkneemster, extreem hoge werkdruk. Psychische klachten kunnen volgens de kantonrechter voor een groot deel gelegen zijn geweest in omstandigheden in haar privésfeer.

Feiten

Werkneemster is op 1 juni 2001 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgeefster. Zij is op 4 mei 2018, althans 4 juni 2018, arbeidsongeschikt geraakt wegens psychische klachten. Vanaf 2 juni 2020 ontvangt werkneemster een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Tegen deze beslissing heeft werkneemster bezwaar gemaakt, omdat zij vindt dat werkgeefster in het eerste jaar van haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende heeft gedaan aan haar re-integratie. Dit bezwaar is op 18 december 2020 door het UWV ongegrond verklaard. Op verzoek van werkgeefster heeft het UWV op 10 november 2020 een ontslagvergunning vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid verleend. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 23 november 2020 opgezegd per 27 februari 2021 en bij het einde van de arbeidsovereenkomst (in totaal) 224,47 vakantie-uren uitbetaald, alsmede de transitievergoeding. Werkneemster verzoekt de kantonrechter om werkgeefster onder meer te veroordelen tot betaling van € 50.000 bruto aan billijke vergoeding.

Oordeel

Werkneemster heeft gesteld dat de oorzaak van haar uitval wegens ziekte is gelegen in de extreem hoge werkdruk bij werkgeefster. Haar takenpakket werd sterk uitgebreid en zij maakte dagen van 8.00 uur tot 18.00 uur zonder pauzes. Uiteindelijk hield zij het niet meer vol en leidde dit tot langdurige ziekmelding. Ze onderging een intensieve behandeling van drie dagen in de week, omdat ook andere gebeurtenissen uit het verleden hierdoor naar de oppervlakte kwamen. Dit zou volgens haar niet gebeurd zijn als zij niet langdurig en structureel zou zijn overbelast op haar werk. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stellingen van werkneemster en de door haar overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgeefster. Ook indien moet worden aangenomen dat werkneemster meer uren maakte dan haar contracturen, hetgeen werkgeefster heeft betwist, kan immers niet zonder meer worden geconcludeerd dat zij arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk is ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van werkgeefster voor de arbeidsomstandigheden. Werkneemster heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsomstandigheden en haar psychische klachten en een dergelijk verband blijkt ook niet uit de stukken van de bedrijfsarts. Het enkele feit dat werkneemster 17 jaar probleemloos en zonder langdurige ziekte heeft gewerkt is onvoldoende. Een nadere onderbouwing van het causaal verband had des te meer op de weg van werkneemster gelegen, nu de oorzaak van haar psychische klachten heel goed voor een groot gedeelte, of misschien wel voor het grootste gedeelte, ook gelegen kan zijn geweest in omstandigheden in haar privésfeer. Werkneemster heeft evenmin concreet en feitelijk onderbouwd dat zij herhaaldelijk bij werkgeefster kenbaar heeft gemaakt dat de werkdruk haar te veel werd en/of dat zij zich op een andere manier psychisch belast voelde. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat werkgeefster verwijtbaar onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden heeft gehad. Uit het door werkneemster gestelde kan evenmin worden afgeleid dat er sprake is van een situatie waarin werkgeefster haar re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgeefster, wordt de gevorderde billijke vergoeding afgewezen.