Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Rotterdamse Elektrische Tram N.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 28 juli 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:7549
Werkgeefster heeft werkneemster op ondeugdelijke gronden vrijgesteld van werk, omdat de haar verweten gedragingen al vóór de laatste waarschuwing bij werkgeefster bekend waren en de laatste waarschuwing hier dus niet op kan zien.

Feiten

Werkneemster is werkzaam als boa bij de RET. Op 23 oktober 2020 ontving de RET een integriteitsklacht van de sectiechef veiligheid tegen werkneemster. Deze klacht hield in dat binnen de RET door werkneemster zou zijn gesproken over een situatie alsof de sectiechef veiligheid een seksuele relatie heeft gehad met een van haar onderschikte collega’s. De RET heeft vervolgens een onderzoek laten uitvoeren naar deze klacht. In het onderzoeksrapport van 1 februari 2021 is geconcludeerd dat de klacht van de sectiechef veiligheid gegrond dient te worden beschouwd. Werkneemster heeft hierdoor volgens de RET bijgedragen aan een ongewenste roddelcultuur op de afdeling veiligheid, terwijl die cultuur de veiligheid van cov’ers/boa-collega’s en het functioneren van de afdeling duidelijk in de weg staat. Op 10 november 2020 heeft werkneemster een officiële laatste waarschuwing gekregen. Die waarschuwing had te maken met het feit dat zij gedurende haar dienstverband de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) voor privédoeleinden had geraadpleegd op verzoek van haar collega, met wie zij op dat moment een affectieve relatie had, en met het feit dat zij bekend was met gedragingen/misdrijven gepleegd door deze collega, van welke wetenschap zij direct melding had moeten maken. Indien werkneemster zich in de toekomst op dusdanige wijze zou gedragen en/of indien sprake is van een incident waarbij zij betrokken is en haar gedrag onderwerp van gesprek is, wordt haar boa-bevoegdheid ingetrokken en zal dit gevolgen hebben voor haar arbeidsovereenkomst. De uitkomst van eerdergenoemd onderzoek was voor de RET de reden om op 4 maart 2021 aan te geven dat zij het dienstverband met werkneemster wilde beëindigen en werkneemster vrij te stellen van werk. Volgens de RET had werkneemster in november 2020 na de officiële laatste waarschuwing een laatste kans gekregen om haar werkzaamheden als cov’er binnen de RET voort te zetten, maar zij heeft desondanks weer gedrag getoond dat strijdig is met wat de RET van een goed werknemer mag verwachten hetgeen voor veel onrust binnen de afdeling zorgde en bovendien boa-onwaardig was, aldus de RET.

Oordeel

De kantonrechter kan de RET niet volgen in haar stelling dat werkneemster een gewaarschuwd mens was door de laatste officiële waarschuwing en zij desondanks opnieuw in de fout is gegaan. De officiële laatste waarschuwing dateert namelijk van 10 november 2020. De onderbouwde klacht van de sectiechef veiligheid was echter al op 23 oktober 2020, dus vóór deze laatste waarschuwing, ingediend. Op het moment dat de RET de officiële laatste waarschuwing gaf aan werkneemster was de onderbouwde klacht van de sectiechef veiligheid dus al bij de RET bekend. De RET kan derhalve niet aan de vrijstelling van werk ten grondslag leggen dat werkneemster na de laatste waarschuwing weer in de fout is gegaan en gedrag heeft getoond waarvoor zij was gewaarschuwd, omdat de gedragingen die haar worden verweten al vóór de laatste waarschuwing bij de RET bekend waren en de laatste waarschuwing hier dus niet op kan zien. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de RET op ondeugdelijke gronden werkneemster heeft vrijgesteld van werk. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat aan de vrijstelling van werk geen deugdelijke grond ten grondslag ligt, zodat de RET niet als een goed werkgever heeft gehandeld door werkneemster op die grond vrij te stellen van werk.

Vervolgens zal de vraag beantwoord moeten worden of de RET moet worden verplicht werkneemster weer te werk te stellen. De kantonrechter is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Werkneemster is, nadat de RET had besloten een onderzoek in te stellen naar de klacht van de sectiechef veiligheid, blijven werken tot de vrijstelling van werk op 4 maart 2021. Gesteld noch gebleken is dat dit tot problemen heeft geleid. De RET wil graag een einde maken aan de onrust/roddelcultuur op de afdeling veiligheid. Onvoldoende is echter gebleken dat de wedertewerkstelling van werkneemster daar een belemmering voor is. De RET heeft verwezen naar het onderzoeksrapport over de klacht van de sectiechef veiligheid. De uitkomsten van dit onderzoeksrapport zijn echter door werkneemster betwist en doordat de RET geen inzage heeft gegeven in dit rapport, is het niet verifieerbaar of terecht tot gegrondverklaring van de klacht is overgegaan. Bovendien heeft de RET zelf in haar verzoekschrift geschreven dat de bron van de onjuiste informatie niet bekend is, zodat niet is komen vast te staan dat werkneemster de roddel over de sectiechef veiligheid heeft verzonnen en verspreid. Werkneemster zit inmiddels al een lange periode thuis. Zij ontvangt weliswaar salaris en mocht haar boa-modules volgen, maar haar reputatie wordt wel geschaad doordat zij lange tijd thuis zit. Collega’s praten nu immers over haar afwezigheid. Ook is het begrijpelijk dat werkneemster graag weer aan het werk wil en verder wil met haar ontwikkeling als boa. De RET heeft onvoldoende onderbouwd dat zij geen mogelijkheid ziet om werkneemster desnoods in een andere groep en/of rijtje te werk te stellen. Dat de sectiechef veiligheid tijdens de zitting heeft verklaard dat zij en haar echtgenoot het onaangenaam vinden als werkneemster weer aan het werk gaat, is onvoldoende reden om de RET niet te verplichten werkneemster weer aan het werk te laten. Voor zover de sectiechef veiligheid en werkneemster al met elkaar te maken hebben, zou een gesprek tussen de sectiechef veiligheid en werkneemster, eventueel onder begeleiding, een oplossing kunnen zijn om de lucht tussen hen te klaren. De vordering van werkneemster om de RET te verplichten haar weer te werk te stellen wordt toegewezen.