Naar boven ↑

Rechtspraak

de Ambassade van Koeweit in Nederland/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11 juni 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:1544
Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet ambassademedewerker na ruzie met de ambassadeur. Minder zware reacties mogelijk. Dat de ambassade een meer dan gemiddelde formele werkomgeving heeft, maakt dit niet anders. Billijke vergoeding € 25.000.

Feiten

Werknemer is op 1 juni 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de ambassade van Koeweit in Nederland (hierna: de ambassade). Op 20 december 2019 heeft een overleg plaatsgevonden tussen werknemer en de ambassadeur op de kamer van de ambassadeur. Werknemer heeft de kamer daarna verlaten en is naar huis gegaan. Op maandag 23 december 2019 is op het adres van werknemer door een deurwaarder een brief van de gemachtigde van de ambassade overhandigd. In deze brief wordt werknemer op staande voet ontslagen wegens onder meer een bedreigend agressieve houding in het gesprek van 20 december en werkweigering daarna. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder meer geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en de ambassade veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 25.000 bruto. De ambassade is hiervan in hoger beroep gekomen.

Oordeel

Ontslag op staande voet

Het hof is van oordeel dat – ook al zou werknemer inderdaad in woede zijn uitgebarsten – het ontslag op staande voet daarop een te zware reactie van de ambassade is geweest, zeker tegen de achtergrond dat werknemer meende dat hij gekleineerd werd en daarover geëmotioneerd was. Vanzelfsprekend hoeft de ambassade een dergelijke opstelling van werknemer en dergelijk gedrag niet zonder meer te accepteren, maar er waren voldoende andere, minder zware reacties mogelijk geweest zoals een officiële waarschuwing, een schorsing en/of een loonsanctie. Dat een ambassade een meer dan gemiddelde formele werkomgeving heeft waar aan correcte omgangsvormen meer waarde wordt gehecht, maakt dit niet anders. Verder is niet aannemelijk geworden dat werknemer andere medewerkers heeft bedreigd. Ook in hoger beroep is de ambassade eraan blijven vasthouden dat zij – in haar visie – niets anders heeft kunnen doen dan een ontslag op staande voet te geven, en dat andere sancties niet passend waren. Het hof volgt de ambassade hierin niet. Dat werknemer na het gesprek direct naar huis is gegaan, is gezien de situatie niet onbegrijpelijk en kan niet als een werkweigering gelden die een ontslag op staande voet rechtvaardigde. Overigens heeft de ambassade kennelijk geen enkele poging gedaan om de gemoederen te sussen en werknemer op de werkvloer te behouden door een gesprek te arrangeren. Verder bestrijdt de ambassade tevergeefs dat het op haar weg had gelegen als werkgever om – na een afkoelingsperiode – met werknemer eerst het gesprek te voeren alvorens hem de te zware sanctie van een ontslag op staande voet te geven. Dat gezien het onverwijldheidsvereiste hiervoor geen ruimte zou zijn geweest, ziet het hof niet in.

Billijke vergoeding

De door de ambassade gestelde omstandigheden zijn niet van dien aard dat deze geen enkele, dan wel een lagere billijke vergoeding rechtvaardigen. Dat de arbeidsovereenkomst nog maximaal zes maanden zou hebben voortgeduurd acht het hof goed denkbaar omdat aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de ambassade op andere gronden zou zijn ontbonden. Daarnaast is aannemelijk dat de diffamerende manier van ontslag enige immateriële schade heeft aangericht bij werknemer, mede gezien zijn relaas ter zitting van het hof en de onwrikbare opstelling van de ambassade. Het hof ziet in de stellingen van werknemer in incidenteel appèl evenmin aanleiding om hem een hogere billijke vergoeding (tot een totaalbedrag van € 141.640) toe te kennen. Het hof ziet niet in dat de tot op heden vruchteloze pogingen van werknemer om een nieuwe baan te vinden in ernstige mate te wijten zijn aan de beïnvloeding door de ambassade van bevriende connecties in de wereld van de internationale politieke betrekkingen. Werknemer heeft een dergelijke ernstige reputatieschade, die hem belemmert in het vinden van nieuw werk binnen de diplomatieke dienst, niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast overweegt het hof dat werknemer evengoed een nieuwe baan zou kunnen zoeken in andere sectoren dan alleen bij de ambassades. Dat de coronacrisis dit voor werknemer bemoeilijkt, valt de ambassade verder niet aan te rekenen.