Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 16 november 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:2177
Feiten
Werknemer is op 1 juni 2010 in dienst getreden bij de gemeente Den Haag en is werkzaam in de functie van controller. Op 23 december 2019 ontving een medewerker van de Handhavingsorganisatie via het door de gemeente gebruikte administratieve systeem het verzoek van werknemer om een factuur van ZSN ter hoogte van € 72.585,48 goed te keuren. Omdat ZSN onbekend was, zijn medewerkers van de gemeente verder in het administratieve systeem gaan zoeken. Zij hebben vervolgens nog een aantal bedrijven aangetroffen, die zij als verdacht hebben aangemerkt. Daarop heeft de afdeling Internal Audit op 30 december 2019 een scan laten uitvoeren in verband met mogelijke onregelmatigheden in de facturatie. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente op 8 januari 2020 besloten een integriteitsonderzoek naar werknemer te starten. Bij brief van 9 januari 2020 heeft de gemeente aan werknemer bevestigd dat hij is geschorst. Op 3 maart 2020 heeft de bedrijfsrecherche een rapport uitgebracht, waaruit blijkt dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere integriteitsschendingen. Werknemer had een actieve rol bij het facturatieproces terwijl dit niet bij zijn functie hoorde en het totale bedrag dat is betaald vanwege deze (onterechte) bemoeienis van werknemer bedraagt vermoedelijk € 1.778.362,22. Op 4 maart 2020 is werknemer door de gemeente op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder meer geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was. In hoger beroep verzoekt werknemer onder meer herstel van de arbeidsovereenkomst en betoogt met de grieven dat er geen dringende reden was om hem op staande voet te ontslaan.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof is sprake van een dringende reden. De dringende reden betreft de actieve en ongepaste rol die werknemer in het inkoop- en facturatieproces heeft gespeeld waarmee hij de gemeente, die heeft betaald voor niet geleverde diensten, ernstig heeft benadeeld. Het hof beperkt zich tot de beoordeling van twee gevallen, die het hof elk afzonderlijk als een dringende reden aanmerkt. Een oordeel over de andere gevallen in het rapport van Hoffmann hoeft daarom niet te worden gegeven. Binnen BSD is een proces voorgeschreven voor de behandeling van facturen. Het hof gaat ervan uit dat werknemer een factuur van Tax in omloop heeft gebracht die door hem zelf is gemaakt. Hier speelt verder een rol dat werknemer dit bewust getimed/georganiseerd moet hebben. Voor de betaling was nodig dat de factuur goedgekeurd werd door iemand die daarvoor gemandateerd was. Degene die moet kunnen beoordelen of er door Tax was gepresteerd of niet, was de projectleider contractenbeheer. Deze was op 28 mei 2019 met ziekteverlof. Dat had tot gevolg dat in Oracle, waarin de processen lopen, een “vakantieregel” was ingesteld, die inhoudt dat iemand anders de betaling kon goedkeuren. Door deze regel heeft projectondersteuner de factuur “doorgezet” naar de manager met de opmerking dat de factuur al door werknemer was goedgekeurd vanwege een correctie (die op de factuur door werknemer met de hand was bijgeschreven). De manager, die dus niet inhoudsdeskundig was ten aanzien van het presteren van Tax, heeft de factuur toen vervolgens in vertrouwen goedgekeurd. De handelwijze van werknemer ten aanzien van ZSN laat hetzelfde beeld zien. Van belang voor de betekenis van de handelwijze van werknemer is wat X heeft verklaard over de samenwerking met werknemer. De gemeente heeft tegen X een procedure aangespannen over betalingen aan een andere onderneming, te weten Interpoint. Deze onderneming heeft Hoffmann ook betrokken in het onderzoek naar werknemer en Hoffmann is tot gelijksoortige bevindingen gekomen als hier ten aanzien van Tax en ZSN. Volledigheidshalve, maar strikt terzijde – het is voor de beoordeling van de dringende reden niet (mede)beslissend – zal het hof nog ingaan op het feit dat werknemer beschikte over een bedrag van € 120.000 aan contant geld. Dat is voor een persoon met het salaris van werknemer een zeer aanzienlijk bedrag, zeker om als contant geld aan te houden. Het vermoeden is gerechtvaardigd dat er een verband is met de handelwijze van werknemer, bijvoorbeeld ten aanzien van de in het geding zijnde facturen van onder meer Tax en ZSN in die zin dat de door de gemeente ten onrechte betaalde bedragen in ieder geval ten dele aan werknemer ten goede zijn gekomen. Het had op de weg van werknemer gelegen hierover duidelijkheid te geven. Dat heeft werknemer niet gedaan omdat het geld naar zijn zeggen spaargeld is en een privézaak betreft. Dit laatste is zo vaag en algemeen dat dit het hof niet overtuigt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.