Naar boven ↑

Rechtspraak

BVK Koeriers V.O.F. c.s./werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 juli 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:2629
Koeriersbedrijf wordt in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat arbeidsovereenkomst met instemming van werknemer (als gevolg van de toetreding van werknemer tot een andere vof) is geƫindigd.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2014 – volgens hemzelf – of op 1 juli 2014 – volgens BVK Koeriers – in loondienst van BVK getreden. Hij is laatstelijk werkzaam geweest als pakketbezorger. Tussen partijen is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt. Werknemer is op 18 februari 2015 samen met X een vof (hierna: Trans) aangegaan die evenals BVK een koeriersbedrijf uitoefent. Na 18 februari 2015 is werknemer werkzaamheden als pakketbezorger blijven verrichten, tot een datum in januari 2016. BVK heeft na 28 februari 2015 geen loon meer betaald. Met ingang van 11 januari 2016 is werknemer in het handelsregister uitgeschreven als vennoot van Trans. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen BVK en werknemer niet rechtsgeldig is geëindigd, ook niet als gevolg van de toetreding van werknemer tot Trans, zodat deze is blijven bestaan. De arbeidsovereenkomst is vervolgens op verzoek van werknemer – voorwaardelijk – ontbonden met ingang van 1 juli 2016. Verzoeken van werknemer tot toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding zijn afgewezen. Partijen komen allebei tegen deze uitspraak op in hoger beroep.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Arbeidsovereenkomst geëindigd?

Niet in geschil is dat werknemer ook na 28 februari 2015 (datum waarop de loonbetaling is gestopt) werkzaamheden als pakketbezorger heeft verricht. Dit vormt een aanwijzing dat de wijze waarop BVK en werknemer vanaf genoemde datum uitvoering en inhoud aan hun rechtsverhouding hebben gegeven, niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de situatie daarvoor. Daartegenover staat echter dat werknemer pas op 26 januari 2016 – bijna een jaar later – heeft geklaagd over de, volgens hem, eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en aanspraak heeft gemaakt op achterstallig loon. Werknemer heeft geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop hij gedurende deze periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Dit laat de mogelijkheid open dat hij zijn werkzaamheden als pakketbezorger na 28 februari 2015 – niet langer voor BVK maar – voor Trans heeft verricht en dat hij uit die werkzaamheden inkomsten heeft ontvangen als vennoot van Trans. BVK heeft voorts drie schriftelijke verklaringen van derden overgelegd, onder wie twee werknemers van BVK, die daarbij allen in vergelijkbare bewoordingen hebben verklaard dat werknemer een eigen bedrijf wilde beginnen, dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan en dat hij in maart 2015 bij BVK is vertrokken. Deze omstandigheden en verklaringen wijzen erop dat de rechtsverhouding tussen partijen na 28 februari 2015 wél wezenlijk is veranderd. Het hof stelt BVK in de gelegenheid te bewijzen dat de arbeidsovereenkomst met instemming van werknemer is beëindigd per 28 februari 2015 en zij daaraan een rechtsgevolg willen verbinden, te weten het einde van de loonbetalingsverplichting van BVK. Als BVK in dit bewijs niet slaagt, moet ervan worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2016 is geëindigd door ontbinding daarvan door de kantonrechter.

Vergoedingen

Ingeval de arbeidsovereenkomst door ontbinding is geëindigd, speelt nog de vraag of aan werknemer een transitievergoeding en/of billijke vergoeding toekomt. In dit kader is van belang of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van BVK. Het hof oordeelt dat dit niet het geval is. Gelet op het tijdsverloop van meer dan 15 maanden tussen de feitelijke stopzetting door BVK van de loonbetaling en het verzoek van werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, valt niet in te zien dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van BVK. De verzochte vergoedingen zijn ook in hoger beroep niet toewijsbaar.