Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Lamb-Weston/Meijer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 december 2020
ECLI:NL:RBZWB:2020:6585
Werknemer vordert schadevergoeding van oud-werkgever, omdat werkgever volgens werknemer valse stukken in eerdere procedures heeft gebruikt en hij daardoor ten onrechte vergoedingen is misgelopen. Vordering afgewezen, gelet op gezag van gewijsde van eerdere uitspraken.

Feiten

Werknemer was in dienst van Lamb-Weston/Meijer (hierna: LWM). De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en LWM op verzoek van LWM ontbonden met toekenning van een transitievergoeding en afwijzing van de door werknemer verzochte billijke vergoeding. In hoger beroep heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Werknemer heeft geen cassatie ingesteld. Werknemer stelt zich thans op het standpunt dat LWM hem schadevergoeding moet betalen, omdat zij volgens werknemer in de eerdere procedures valse stukken heeft gebruikt en werknemer daardoor ten onrechte vergoedingen is misgelopen. Daarbij verwijt werknemer LWM dat LWM in bedoelde valse stukken heeft vermeld dat hij toestemming nodig had als hij wilde overwerken, terwijl dit destijds niet het geval was en daardoor het conflict tussen partijen is ontstaan (met uiteindelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond tot gevolg) en hem ten onrechte een aantal overuren niet is uitbetaald.

Oordeel

De kantonrechter stelt voorop dat de termijnen voor hoger beroep en/of cassatie met betrekking tot de eerder gewezen uitspraken inmiddels zijn verstreken en deze uitspraken in kracht van gewijsde zijn gegaan. Ingevolge artikel 236 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegane beschikking of vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dit ‘gezag van gewijsde’ strekt zich ook uit over de eindbeslissingen in een onherroepelijk(e) beschikking en/of vonnis die in het lichaam (de ‘beoordeling’ van de uitspraak) staan en die de uiteindelijke beslissing mede dragen. Niet is vereist dat de beslissing in die eerdere procedure een geschilpunt betreft dat toen centraal stond of overheersend was. In het algemeen kan hetzelfde feitencomplex niet in een tweede procedure op een andere juridische grondslag ter discussie worden gesteld. De rechtsbetrekking in de onderhavige zaak betreft de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en LWM. Over deze rechtsbetrekking hebben het hof en de kantonrechter al geoordeeld. Beide uitspraken zagen op hetzelfde feitencomplex als in deze procedure door werknemer aan zijn vordering ten grondslag wordt gelegd. Deze uitspraken hebben derhalve gezag van gewijsde en worden daarom niet opnieuw door een rechter beoordeeld. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.