Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 5 januari 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:22
Feiten
Werknemer is sinds 1 oktober 2005 als chauffeur in dienst bij werkgeefster. Op de arbeidsovereenkomst is de algemeen verbindend verklaarde cao voor het ‘Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen’ van toepassing. Deze cao is met ingang van 1 januari 2019 gewijzigd ten aanzien van de waarde van (boven)wettelijke vakantiedagen. Werknemers krijgen tijdens vakantie recht op doorbetaling van een deel van de gemiddeld verdiende toeslagen. Werknemer krijgt een aanbod van werkgeefster om de aanspraken op vergoeding van overuren en toeslagen over genoten vakantiedagen af te kopen voor een bedrag van € 750 onder de voorwaarde dat werknemer afstand doet van zijn rechten over de periode 2014-2018. Werknemer heeft dit aanbod niet aanvaard omdat hij ten gevolge van structureel overwerk een veel groter financieel belang heeft dan het voorgestelde afkoopbedrag. Werknemer verricht een stuitingshandeling. Werknemer vordert door middel van een verklaring voor recht een bedrag van € 7.250,01 bruto aan achterstallig loon over de periode 2016-2018. Tevens vordert werknemer een verklaring voor recht dat het in het desbetreffende cao-artikel opgenomen onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen in strijd is met artikel 7:639 BW. Werkgeefster betwist de vordering: werknemer heeft niet tijdig geklaagd, het overwerk vond niet op regelmatige basis plaats en de overwerkvergoeding is geen belangrijk onderdeel van het salaris en maakt daar ook geen onderdeel van uit. Werkgeefster betwist ook de vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring wegens precedentwerking en het mogelijk daaruit voorvloeiende restitutierisico.
Oordeel
De kantonrechter stelt op grond van het Europeesrechtelijk juridisch kader vast dat een werknemer tijdens zijn jaarlijkse vakantie niet alleen recht heeft op behoud van zijn basissalaris, maar ook op alle componenten die intrinsiek samenhangen met de taken die hem in zijn arbeidsovereenkomst zijn opgedragen en waarvoor hij in het kader van zijn gebruikelijke beloning een financiële vergoeding ontvangt. Voorts oordeelt de kantonrechter dat werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige stuitingshandeling heeft verricht. Het beroep van werkgeefster op het niet tijdig klagen wordt verworpen omdat de klachtplicht van artikel 6:89 BW niet van toepassing is op een tekortkoming uit het niet (volledig) nakomen van een periodieke betalingsverplichting. Ook is er geen sprake van rechtsverwerking. Volgens de kantonrechter is werknemer erin geslaagd aan te tonen dat hij in de referteperiode zeer regelmatig overuren heeft gemaakt en dat – in tegenstelling tot wat werkgeefster aanvoert – niet kan worden geoordeeld dat de daarmee samenhangende overwerkvergoeding geen belangrijk onderdeel van het salaris vormt. De kantonrechter volgt de stelling van werkgeefster niet dat er sprake is van strijd met artikel 7:639 BW door geen onderscheid te maken tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Op dit punt wijkt de Nederlandse wetgeving in positieve zin af van het Europese recht. Werkgeefster wordt bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling van €7.250,01 wegens achterstallig loon, waarbij de wettelijke verhoging tot nihil wordt gematigd.