Naar boven ↑

Rechtspraak

Havenbedrijf Rotterdam N.V./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 augustus 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13411
Werknemer die overwerkuren bijschrijft op reeds door zijn leidinggevende geaccordeerde tijdsbrieven en overwerkuren opvoert die niet aan overwerk zijn besteed, wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren ten aanzien van gewerkte overuren buiten de feitelijke arbeidsduur.

Feiten

Werknemer is van 1 januari 1980 tot 20 februari 2020 in dienst geweest van het Havenbedrijf, laatstelijk in de functie assistent-assetmanager (niveau 3). Op de arbeidsovereenkomst van werknemer was de cao Havenbedrijf van toepassing. In artikel 1 van de cao is onder meer een definitie gegeven van ‘overwerk’. In 2018 en 2019 heeft werknemer door middel van het invullen van tijdbrieven overuren geschreven en uitbetaald gekregen. Bij brief van 14 februari 2020 heeft het Havenbedrijf werknemer met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld en een onderzoek ingesteld naar de grote hoeveelheid overuren die werknemer onder meer in 2018 en 2019 heeft geschreven en gedeclareerd, zonder daarvoor het (schriftelijke) akkoord van zijn leidinggevende te hebben ontvangen. Werknemer heeft verklaard dat hij (extra) overuren pas had genoteerd, nadat zijn leidinggevende de tijdbrief voor akkoord had ondertekend. Hij gaf echter aan geen kwaad te zien in zijn handelen, omdat hij voor die uren wel prestaties – fotowerkzaamheden in opdracht van de afdeling Communicatie – zou hebben verricht. Op 20 februari 2020 is werknemer op staande voet ontslagen. Het ontslag op staande voet is door het Havenbedrijf per brief van 21 februari 2020 aan werknemer bevestigd. Uit nader onderzoek zou zijn gebleken dat de afdeling Communicatie werknemer geen formele opdracht heeft gegeven om fotowerkzaamheden buiten zijn normale werktijden te verrichten. Nadien is eveneens gebleken dat werknemer ook uren heeft geschreven voor het sleutelen aan brommers. Het Havenbedrijf heeft onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat zij een bedrag van € 99.664,95 bruto onverschuldigd heeft betaald aan werknemer.

Oordeel

De kantonrechter stelt voorop dat: (1) tussen partijen niet is geschil is dat werknemer na accordering van de tijdbrief in januari 2020 57,5 uur heeft bijgeschreven en de tijdbrief vervolgens, zonder de bijgeschreven uren ter accordering aan de leidinggevende voor te leggen, bij de administratie heeft ingeleverd, (2) op 23 en 24 november 2019 15 uur als overwerk door werknemer is gedeclareerd, terwijl werknemer op die dagen geen overwerk heeft verricht, (3) werknemer in juli 2019 uren verkeerd heeft ingevuld. Op de tijdbrief van juli 2019 staan op 27 en 28 juli 2019 16 overuren gedeclareerd, terwijl de leidinggevende deze uren niet kan hebben geaccordeerd omdat de leidinggevende met ingang van 26 juli 2019 op vakantie was en hij voor zijn vakantie reeds de tijdbrief had geaccordeerd; en (4) werknemer uren als overwerk heeft gedeclareerd terwijl feitelijk geen sprake was van overwerk, omdat werknemer toen bezig was met het sleutelen aan brommers. De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde uren aan werknemer zijn uitbetaald, terwijl daarvoor een rechtsgrond ontbrak. Er was immers geen sprake van overwerk dan wel ontbrak de daartoe benodigde accordering. Het Havenbedrijf heeft deze uren dan ook onverschuldigd aan werknemer betaald, zodat werknemer deze uren dient terug te betalen aan het Havenbedrijf.

Niet in geschil is dat sprake is van een opmerkelijk aantal gedeclareerde overuren, niet alleen in absolute aantallen maar ook als het aantal gedeclareerde overuren per dag wordt bezien. Uit de feiten en omstandigheden rijst het beeld van een werknemer die op een voor de werkgever niet kenbare wijze heeft bewerkstelligd dat hij meermaals een overwerkvergoeding heeft uitbetaald gekregen waarvoor hij, naar hij zonder meer behoorde te begrijpen, niet in aanmerking kwam. Voor het bijschrijven van uren op reeds door zijn leidinggevende geaccordeerde tijdbrieven – zonder deze alsnog ter goedkeuring aan zijn leidinggevende voor te leggen – bestaat geen enkele rechtvaardiging. Datzelfde geldt voor het opvoeren van uren die feitelijk niet aan overwerk zijn besteed, zoals de uren besteed aan het sleutelen aan brommers. Door dit toch te doen, heeft werknemer misbruik gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever. Bovendien heeft werknemer het door zijn wijze van handelen voor het Havenbedrijf feitelijk onmogelijk gemaakt om te achterhalen welke uren terecht of onterecht als overwerk zijn uitbetaald.

Het had op de weg van werknemer gelegen om vanaf het begin af aan volledige openheid van zaken te geven met betrekking tot de door hem als overwerk gedeclareerde uren. Tegen de achtergrond van deze feiten is de kantonrechter van oordeel dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast wordt omgekeerd en dat werknemer thans alsnog dient te bewijzen op welke dagen en gedurende hoeveel uren op die dagen hij in de jaren 2018 en 2019 in opdracht van het Havenbedrijf werkzaamheden buiten zijn feitelijke arbeidsduur heeft verricht ten behoeve van het Havenbedrijf. De kantonrechter overweegt in dit verband dat uren die werknemer heeft besteed aan fotowerkzaamheden niet als (voor vergoeding in aanmerking komend) overwerk kwalificeren, nu werknemer tegenover de betwisting door het Havenbedrijf geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het Havenbedrijf werknemer opdracht heeft gegeven de fotowerkzaamheden buiten zijn gebruikelijke werktijd te verrichten, laat staan dat hij deze uren als overwerk mocht declareren. Het Havenbedrijf heeft ter zitting verklaard dat een aantal van 11 uur per maand overwerk gebruikelijk is voor een werknemer met de functie van werknemer. Dat betekent dat, indien werknemer er niet in slaagt te bewijzen dat hij in enige maand meer dan 11 uur overwerk heeft verricht, hij het salaris dat in die maand aan hem aan overwerk is uitbetaald voor zover dit de 11 uur overstijgt, als onverschuldigd betaald aan het Havenbedrijf zal moeten terugbetalen.