Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 februari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:1228
Feiten
In het tussenvonnis van 12 november 2021 heeft de kantonrechter overwogen dat de door het Havenbedrijf gevorderde volledige terugbetaling van alle door werknemer gedeclareerde overuren niet toewijsbaar is, nu op deze vordering 11 uur overwerk per maand over de jaren 2018 en 2019 in mindering dient te worden gebracht. Het Havenbedrijf is in de gelegenheid gesteld een berekening in het geding te brengen, waarbij voor wat betreft de hoogte van de vordering rekening is gehouden met 11 uur overwerk per maand over de jaren 2018 en 2019. Het Havenbedrijf heeft zich hierover bij akte uitgelaten. Werknemer heeft hier vervolgens bij akte op gereageerd. Het Havenbedrijf heeft de 11 uren overwerk per maand over de jaren 2018 en 2019 en over de maand januari 2020 berekend op € 13.716,08. Dit bedrag heeft zij op het oorspronkelijk door haar gevorderde bedrag van € 99.664,95 in mindering gebracht, hetgeen resulteert in een vordering ter hoogte van € 85.948,87. Nu een bedrag van € 10.711,25 reeds is verrekend met het salaris van werknemer, berekent het Havenbedrijf haar resterende vordering op een bedrag van € 75.237,62. In reactie op de akte van het Havenbedrijf heeft werknemer bestreden dat hij maandelijks slechts 11 uur overwerkte. Werknemer stelt dat hij veel meer overuren heeft gewerkt, waar het Havenbedrijf mee bekend was en mee heeft ingestemd. Er was wekelijks overleg met de mensen van de kademuren en de baggerafdeling, waarbij overwerk werd besproken. Iedere drie maanden werd het budget besproken waarbij ook overwerkkosten aan de orde kwamen. Verder waren de beheerders steeds akkoord met het door werknemer verrichtte overwerk. Illustratief voor de onzorgvuldige handelwijze van het Havenbedrijf is dat er door het Havenbedrijf melding van een datalek is gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens, aldus werknemer.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer de berekening van de vordering van het Havenbedrijf, waarbij rekening is gehouden met 11 uur overwerk per maand over de jaren 2018 en 2018 en de maand januari 2020, onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter zal derhalve uitgaan van de juistheid van de berekening van het Havenbedrijf. Werknemer heeft in reactie op de berekening van het Havenbedrijf kort samengevat naar voren gebracht dat hij maandelijks meer dan 11 uur overwerk heeft verricht en dat het Havenbedrijf hiervan op de hoogte was. In het tussenvonnis van 12 november 2021, waarnaar de kantonrechter kortheidshalve verwijst, heeft de kantonrechter reeds geoordeeld dat werknemer in de ter zake aan hem gegeven bewijsopdracht niet is geslaagd. De melding van het Havenbedrijf bij de Autoriteit Persoonsgegevens acht de kantonrechter voor de berekening van de vordering van het Havenbedrijf verder niet relevant. De door het Havenbedrijf gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot onverschuldigde betaling zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 85.948,87 bruto. Werknemer zal, met inachtneming van de door het Havenbedrijf reeds toegepaste verrekening met het salaris van werknemer met een bedrag van € 10.711,25, worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 75.237,62 bruto. Gelet op het oordeel van de kantonrechter in conventie, wijst de kantonrechter de vordering van werknemer tot betaling van € 10.711,25 af. Het Havenbedrijf heeft dit bedrag immers al – terecht – met het salaris van werknemer verrekend.