Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 november 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13412
Feiten
Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast wordt omgekeerd en dat werknemer dient te bewijzen op welke dagen en gedurende hoeveel uren op die dagen hij in de jaren 2018 en 2019 in opdracht van het Havenbedrijf werkzaamheden buiten zijn feitelijke arbeidsduur heeft verricht ten behoeve van het Havenbedrijf. De kantonrechter heeft verder overwogen dat uren die werknemer heeft besteed aan fotowerkzaamheden niet als (voor vergoeding in aanmerking komend) overwerk kwalificeren, nu werknemer tegenover de betwisting door het Havenbedrijf geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het Havenbedrijf werknemer opdracht heeft gegeven de fotowerkzaamheden buiten zijn gebruikelijke werktijd te verrichten, laat staan dat hij deze uren als overwerk mocht declareren. Werknemer is toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt op welke dagen en gedurende hoeveel uren op die dagen hij in de jaren 2018 en 2019 in opdracht van het Havenbedrijf werkzaamheden buiten zijn feitelijke arbeidsduur heeft verricht ten behoeve van het Havenbedrijf. In de akte uitlating bewijslevering heeft werknemer gesproken over de fotografie en beeldbank die hij – in de avonduren en in de weekenden – moest opschonen.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer niet is geslaagd in het aan hem opdragen bewijs. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter reeds geoordeeld dat uren die werknemer heeft besteed aan fotowerkzaamheden niet als (voor vergoeding in aanmerking komend) overwerk kwalificeren. Voor zover werknemer met de akte uitlating bewijslevering beoogd heeft te bewerkstelligen dat de kantonrechter terugkomt op dit oordeel, geldt dat hiervoor geen reden is. Zelfs indien wordt aangenomen dat werknemer de door hem bij akte overlegde foto’s in de avonduren en in het weekend heeft bewerkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat werknemer deze werkzaamheden in opdracht van het Havenbedrijf buiten zijn feitelijke arbeidsduur heeft verricht. Ook uit de door werknemer overgelegde e-mails blijkt geenszins dat het Havenbedrijf werknemer opdracht heeft gegeven fotowerkzaamheden buiten zijn feitelijke arbeidsduur te verrichten. Integendeel, in een e-mail van 16 mei 2018 wordt vermeld: ‘Ik wil er geen gewoonte van maken. En het is geen must maar zie hieronder. Dus we zijn geïnteresseerd in een foto van schip X maar ook van schip Y (als het werk het toelaat!!)’. Een opdracht tot het verrichten van fotowerkzaamheden buiten de feitelijke arbeidsduur kan hieruit niet worden afgeleid. Nu werknemer niet in de bewijsopdracht is geslaagd zal hij het salaris dat hem in 2018 en 2019 aan overwerk is uitbetaald, voor zover dit 11 uur overwerk per maand overstijgt, aan het Havenbedrijf als onverschuldigd betaald moeten terug betalen. Het Havenbedrijf heeft geen berekening in het geding gebracht, waarbij voor wat betreft de hoogte van de vordering rekening is gehouden met 11 uur overwerk per maand over de jaren 2018 en 2019. Het Havenbedrijf zal derhalve in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten.