Naar boven ↑

Rechtspraak

Ontslagen bestuurder/Apandam Europe B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 4 februari 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:285
Per datum vennootschapsrechtelijk ontslag van werkneemster als bestuurder is ook de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd. Werkneemster heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door aan de lopende band geld te ‘lenen’ uit de bedrijfskas. Geen recht op transitievergoeding.

Feiten

Apandam Europe B.V. (hierna: Apandam) is op 15 juli 2016 opgericht door Ningbo O&B Trading Ltd. (hierna: Ningbo). Ningbo was op dat moment enig aandeelhouder van Apandam. Zij was gevestigd in de stad Ningbo te China. Mevrouw X was enig aandeelhouder en statutair bestuurder van Ningbo. Werkneemster is bij de oprichting van Apandam benoemd tot bestuurder van Apandam. Op 16 december 2019 is Ningbo in China ontbonden. Op 16 januari 2020 is bij de KvK een opgave gedaan om werkneemster uit te schrijven als bestuurder van Apandam. In een op 17 januari 2020 gedateerd besluit – genomen door Ningbo en ondertekend door mevrouw X – is werkneemster met onmiddellijke ingang ontslag als bestuurder en als werknemer aangezegd. Werkneemster wordt verweten dat zij frauduleuze handelingen heeft verricht door gelden van de vennootschap aan te wenden voor persoonlijke doeleinden. Op 24 april 2020 en op 7 mei 2020 zijn nieuwe besluiten genomen om werkneemster met onmiddellijke ingang als bestuurder en als werknemer van Apandam te ontslaan. Deze besluiten zijn genomen en ondertekend door mevrouw X. In een (Nederlandse) notariële akte van 11 mei 2020 is onder meer opgenomen dat de aandelen van Ningbo worden overgedragen aan mevrouw X. De notariële akte bevat als bijlage een besluit van 9 mei 2020 waarbij X namens Apandam zichzelf heeft benoemd als bestuurder van Apandam en werkneemster heeft ontslagen als bestuurder van Apandam. De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat er vanaf 11 mei 2020 (datum notariële akte) voldaan was aan de formele vereisten voor ontslag van werkneemster als statutair bestuurder en dat de arbeidsovereenkomst op 11 mei 2020 is geëindigd. Verder heeft de rechtbank Apandam veroordeeld tot betaling van bijna € 30.000 aan achterstallig salaris, een billijke vergoeding (€ 29.095,08 bruto), een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld en stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst nimmer rechtsgeldig is beëindigd.

Oordeel

Vennootschappelijke verhouding

Het hof is van oordeel dat het ontslagbesluit van 7 mei 2020 rechtsgeldig door X is genomen, omdat de aandelen in het kapitaal van Apandam op 16 december 2019 als gevolg van de liquidatie van Ningbo onder algemene titel zijn overgegaan van Ningbo naar X. X is aandeelhouder geworden van Apandam en was in die hoedanigheid bevoegd werkneemster als bestuurder te ontslaan. Vast staat dat werkneemster voorafgaand aan het besluit is gehoord over het ontslagvoornemen en in ieder geval op 28 april 2020 in de gelegenheid is gesteld haar raadgevende stem te geven, waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt. De vennootschappelijke verhouding tussen Apandam en werkneemster is dan ook per 7 mei 2020 beëindigd en daarmee is ook de arbeidsovereenkomst per die datum tot een einde gekomen.

Arbeidsrechtelijke verhouding

Werkneemster heeft recht op loon vanaf 1 januari 2020 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd (7 mei 2020). Omdat de rechtbank ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst tot 11 mei 2020 voortduurde, heeft zij een bedrag toegewezen dat iets te hoog is. Op dat punt wordt de bestreden beschikking vernietigd en komt het toegewezen bedrag iets lager uit. Het hof oordeelt voorts dat van een ontslag op staande voet geen sprake is, zodat Apandam een opzegtermijn in acht had behoren te nemen. Nu zij dat heeft nagelaten, is zij een vergoeding verschuldigd wegens onregelmatige opzegging, hetgeen de rechtbank terecht heeft toegewezen. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat werkneemster geen transitievergoeding toekomt, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkneemster heeft zich namelijk ten minste schuldig gemaakt aan het – zonder toestemming van de werkgever – aan de lopende band ‘lenen’ uit de bedrijfskas. Daardoor heeft zij het vertrouwen van haar werkgever ernstig beschaamd. Anders dan in eerste aanleg is geoordeeld, bestaat volgens het hof geen aanleiding aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen, nu Apandam als werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.