Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 5 april 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1067
Feiten
Werkneemster is op 5 november 2018 in dienst getreden van werkgeefster (hierna: Looking Good) tegen een salaris van laatstelijk € 11,70 bruto per uur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Kappersbedrijf van toepassing. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 5 maart 2020. Na ontvangst van de eindafrekening ontstaat discussie over de verschillende onderdelen van de eindafrekening. In eerste aanleg vordert werkneemster een bedrag aan (1) transitievergoeding, (2) loon wegens gewerkte en niet betaalde uren, (3) aanvullend loon omdat zij werkzaam was als allround hairstylist en (4) een verklaring voor recht dat het dienstverband bestond uit vier dagen en 28,5 uur per week. Looking Good heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat alle uren die werkneemster heeft gewerkt zijn betaald en dat het juiste uurloon is gehanteerd. Werkneemster was niet werkzaam als allround hairstylist, had nimmer geklaagd over een onjuiste loonbetaling en aan werkneemster was een lening verstrekt, die bij eindafrekening is verrekend. De kantonrechter heeft Looking Good veroordeeld tot betaling van € 5.273,30 bruto wegens niet betaalde, gewerkte uren, niet betaalde zon- en feestdagen, uren wegens vervanging en uren wegens ziekte, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot maximaal 10%, en voorts tot betaling van € 221,80 bruto aan nabetaling van het juiste uurloon op grond van de cao Kappersbedrijf, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot maximaal 10% onder afgifte van een loonstrook. Ook is een verklaring voor recht afgegeven: het dienstverband bestond voor vier dagen per week voor 28,5 uur. Looking Good verzet zich in hoger beroep tegen de toewijzing van een bedrag van € 5.273 bruto wegens extra gewerkte uren en de verklaring voor recht dat werkneemster wekelijks gedurende vier dagen gemiddeld 28,5 uur heeft gewerkt.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat over de periode november 2018 tot en met januari 2020 een bedrag van € 2.345,76 netto méér is betaald door Looking Good aan werkneemster, dan de nettobedragen die vermeld zijn op de loonstroken. Dit bedrag komt derhalve in aanmerking voor verrekening met eventuele bedragen die Looking Good aan werkneemster is verschuldigd. Ten aanzien van de extra gewerkte uren stelt het hof vast dat Looking Good over de gehele periode van het dienstverband 1200,5 uur heeft verloond. Werkneemster heeft in eerste aanleg aangetoond 1641,5 uur te hebben gewerkt, hetgeen door Looking Good niet gemotiveerd is betwist. Het verschil van 441 uur dient te worden verminderd met het verschil aan door het UWV betaalde uren (in casu 89,56 uur), waarmee het aantal extra gewerkte en niet verloonde uren op 351,44 uur wordt vastgesteld. Deze uren dienen met inachtneming van de cao te worden afgerekend tegen een gemiddeld bruto-uurloon van € 11,75, wat neerkomt op een bedrag van € 4.129,42 bruto dat Looking Good is verschuldigd. Tussen partijen staat eveneens vast dat Looking Good een (of meer) lening(en) aan werkneemster heeft verstrekt, waarvan een bedrag van € 352 is terugbetaald. Het hof concludeert dat wanneer het aantal van 351,44 uur wordt berekend als een vordering wegens achterstallig loon, diezelfde uren niet tegelijkertijd betrokken kunnen worden in een verrekening van uren met de lening. Voor toewijzing komt in aanmerking een bedrag van € 4.129,42 bruto wegens door werkneemster gewerkte en niet betaalde uren. Op het netto-equivalent hiervan komt in mindering een bedrag van € 2.345,76 netto dat door Looking Good te veel is betaald aan werkneemster, en voorts een bedrag van € 1.348 (€ 1.700 minus € 352) netto wegens een door werkneemster ontvangen lening. De grieven van Looking Good slagen gedeeltelijk wat leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van de beschikking van de kantonrechter.