Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 april 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1858
Werkgever vordert vanuit boosheid verklaring voor recht dat werkneemster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Vordering wordt afgewezen. Vanwege misbruik van procesrecht door de werkgever wordt aan werkneemster een vergoeding voor integrale proceskosten toegekend.

Feiten

Werkneemster was van 1 maart tot 11 december 2019 bij werkgever werkzaam als personal assistent van de directeur van werkgever. De arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudingsbeding met een contractuele boete. Dat beding verplicht werknemers om, ook nadat hun dienstverband is geëindigd, ‘tegenover derden strikte geheimhouding (te) betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van (haar) functie te (harer) kennis komt in verband met de zaken en belangen van werkgever’. In het bedrijfsreglement van werkgever is de geheimhoudingplicht van het personeel aldus omschreven ‘dat kennis van en omtrent activiteiten die door de werkgever worden uitgeoefend’, daaronder begrepen ‘de cliëntenkring, de organisatie, de bedrijfsomstandigheden, technieken, middelen, toegepaste apparatuur en werkmethoden en eventueel zaken omtrent de werkgever zelf’ en ‘alle aspecten die betrekking hebben op cliënten en zakelijke contacten van de werkgever’, niet aan ‘derden’ mag worden overgedragen. In een eerdere procedure is werkgever veroordeeld tot opheffing van de door hem ten laste van werkneemster gelegde conservatoire beslagen (zie AR 2021-0635). Werkgever vordert in dit geding een verklaring voor recht dat werkneemster het geheimhoudingsbeding en het bijbehorende bedrijfsreglement heeft geschonden en daardoor jegens werkgever een boete verschuldigd is en/of schadeplichtig is geworden. Voorts vordert werkgever dat werknemer wordt veroordeeld tot betaling van de contractuele boete. Werkgever legt hieraan ten grondslag dat werkneemster, met inschakeling van haar advocaat en een deurwaarderskantoor, executoriaal derdenbeslag heeft gelegd onder twee van de klanten van werkgever (hierna: de twee klanten). Werkgever meent dat werkneemster hierdoor klantgegevens aan derden heeft meegedeeld. Werkneemster vordert in reconventie een verklaring voor recht dat de door werkgever te haren laste gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn en dat werkgever wordt veroordeeld deze op te heffen. Voorts vordert zij vergoeding van haar kosten voor juridische bijstand van € 20.000 en schadevergoeding, omdat haar bank haar vanwege de op haar bankrekening gelegde beslagen twee keer € 100 aan administratiekosten in rekening heeft gebracht.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij het vonnis in het incident heeft de kantonrechter overwogen dat werkneemster haar geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden, omdat zij geen bedrijfsgegevens aan derden heeft geopenbaard. Na dit incidentele vonnis is over dit geschilpunt verder geprocedeerd, maar in dat verband heeft werkgever geen feiten of omstandigheden gesteld die er – eufemistisch gezegd – toe kunnen leiden dat hierover in de hoofdzaak anders zou moeten worden geoordeeld. Bij de beslaglegging onder de twee klanten zijn aan deze klanten van werkgever geen gegevens meegedeeld die zij niet al kenden; zij wisten immers dat zij zelf klant van werkgever waren. Zij kunnen daarom evenmin als ‘derden’ in de zin van het geheimhoudingsbeding worden aangemerkt. Ook (de medewerkers van) de advocaat en deurwaarder die werkneemster bij het leggen van de beslagen heeft moeten inschakelen, zijn vanzelfsprekend niet als ‘derden’ te beschouwen. Het gaat hier om vertegenwoordigers van werkneemster die met werkneemster op één lijn moeten worden geplaatst. In reconventie oordeelt de kantonrechter dat voor zover de vordering van werkneemster ziet op de conservatoire beslagen die werkgever op haar bankrekening en woning heeft gelegd, zij daarbij thans geen belang meer heeft, nu deze beslagen na het vonnis in het incident zijn opgeheven. Dat onderdeel wordt derhalve afgewezen. Wel toewijsbaar is de vordering tot vergoeding van de administratiekosten die de bank aan werkneemster heeft gerekend vanwege de beslagen. Het leeuwendeel van het belang van werkneemster bij haar tegeneis is gelegen in de door haar gevorderde veroordeling van werkgever tot betaling van de advocaatkosten die zij heeft moeten maken om zich tegen de vordering van werkgever te verweren. Voor toekenning van een vergoeding voor integrale proceskosten is plaats als het instellen van de vordering door werkgever, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van werkneemster achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als moet worden geconcludeerd dat werkgever zijn vordering baseert op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, omdat het recht op toegang tot de rechter gewaarborgd moet blijven (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). De lat ligt dus weliswaar hoog, maar aan deze norm wordt in dit geding ruimschoots voldaan. Werkgever heeft bij zijn vorderingen maximale druk op werkneemster uitgeoefend door beslaglegging en het ten onrechte aanhangig maken van de zaak bij de handelskamer van de rechtbank. Dit noopte werkneemster tot het opwerpen van de exceptie van onbevoegdheid, tot het instellen van een incidentele vordering tot opheffing van de door werkgever gelegde beslagen, maar bovenal tot een (kostbaar) verweer tegen de uitgebreide, vaak vergezochte, stellingen van werkgever. Ook moet aan de zijde van werkneemster veel tijd zijn gaan zitten in de terugkerende processuele verwikkelingen die door toedoen van (de gemachtigde van) werkgever rondom geplande zittingen zijn ontstaan. Dit alles, terwijl hetgeen werkgever aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd niet in de buurt komt van een redelijkerwijs verdedigbaar standpunt. Waar werkneemster geen nadere onderbouwing heeft gegeven van het gevorderde bedrag van € 20.000, zal de kantonrechter de vergoeding naar billijkheid begroten. Gezien de omvang van de processtukken die partijen in dit geding hebben gewisseld, komt het niet onredelijk voor om, rekening houdend met de eerdere proceskostenveroordelingen in dit geding, de door werkneemster daarvoor gemaakte advocaatkosten te stellen op € 15.000.