Naar boven ↑

Rechtspraak

eiseres/Pricewaterhousecoopers Advisory N.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 mei 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1568
Overlijdensrisicoverzekering in arbeidsovereenkomst. Moeder maakt na overlijden zoon aanspraak op uitkering. Bedrag uitgekeerd aan vriendin. Uitleg begunstigingsregeling in arbeidsovereenkomst. Vriendin ten onrechte aangemerkt als begunstigde.

Feiten

De zoon van appellante (hierna: X) is op 12 januari 2019 op 32-jarige leeftijd na een kort ziekbed overleden. Hij was op dat moment in dienst van Pricewaterhousecoopers Advisory N.V. (hierna: PWC). In maart 2013 is X in dienst getreden bij Booz & Company B.V. (hierna: Booz). X heeft de aan hem door PWC gestuurde arbeidsovereenkomst op 30 december 2016 ondertekend. In de bij de arbeidsovereenkomst behorende Algemene Arbeidsvoorwaarden 2018-2019 is het begrip partner als volgt gedefinieerd: ‘De persoon die is gehuwd met Werknemer, een geregistreerd partnerschap is aangegaan met Werknemer of de ongehuwde persoon die met een ongehuwde Werknemer duurzaam samenwoont.’ In artikel 11.4 Overlijdensuitkering van die voorwaarden is bepaald: ‘(...) Na het overlijden van Werknemer keert PWC aan de nagelaten betrekkingen een bedrag uit gelijk aan het salaris (...) over een tijdvak van drie maanden. (...)’ PWC heeft de uitkering als gevolg van het overlijden van zoon van € 239.000 betaald aan zijn vriendin. Appellante, de moeder van X, is van mening dat zij aanspraak maakt op de overlijdensuitkering van X. De kantonrechter heeft de eis van appellante tot uitbetaling van de € 239.000 afgewezen. Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Appellante is opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bepalingen van het handboek van Booz en de daarin opgenomen begunstigingsregeling, geen deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst van X met Booz. Bij de indiensttreding bij Booz viel X onder de werking van de door Booz voor haar personeel gesloten collectieve overlijdensrisicoverzekering. De schriftelijke arbeidsovereenkomst verwijst naar deze verzekering en vermeldt als verzekerde som tweeënhalf jaarsalaris. Tussen partijen staat ter discussie of het handboek ooit door Booz aan X is uitgereikt, respectievelijk of de bepalingen van het Handboek integraal onderdeel uitmaakten van de arbeidsovereenkomst tussen X en Booz, dan wel nadien PWC. Het handboek is door Booz aan X uitgereikt, nu PWC dit standpunt aanvankelijk in een e-mail aan appellante ook als uitgangspunt heeft genomen. Het handboek werd destijds door Booz up-to-date gehouden waaruit mag worden afgeleid dat het handboek onderdeel uitmaakte van de tussen Boox en X bestaande arbeidsovereenkomst zoals deze door PWC is overgenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het Handboek met betrekking tot de overlijdensrisicoverzekering toentertijd als volgt de begunstigde van de verzekering aanwees: weduwe, kind(eren), erfgenamen en de werkgever. X was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd, had geen geregistreerd partner en geen kinderen. De vriendin van X kan daardoor niet als begunstigde voor de verzekering aangemerkt worden, nu zij geen weduwe, kind of erfgenaam van X is. De stellingname van PWC dat onder weduwe ook de samenwonende partner dient te worden verstaan, miskent dat juist door het aangaan van een geregistreerd partnerschap gelijkstelling met het huwelijk wordt beoogd en bereikt, maar dat een enkel samenwonen dat juridische resultaat niet meebrengt, althans niet bij de uitleg van deze arbeidsvoorwaarde en de daarop gebaseerde levensverzekeringspolis. Booz is in 2016 overgenomen door PWC, zodat alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen Booz en X van rechtswege zijn overgegaan naar PWC. In de nieuwe door PWC aangeboden arbeidsovereenkomst staat met betrekking tot de overlijdensrisicoverzekering letterlijk dezelfde bepaling als in de eerder door X met Booz gesloten arbeidsovereenkomst. Dit impliceert dat ook de bestaande specifieke regeling van de overlijdensrisicoverzekering werd gehandhaafd, inclusief de begunstigingsregeling. PWC had dus de uitkering aan de erfgenamen van X dienen te betalen op basis van de voortgezette verplichting tot handhaving van de verzekering zoals deze destijds tussen Booz en X was overeengekomen. De vordering van appellante is daarom toewijsbaar.