Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./werkgeefster
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 april 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:2540
Werknemers ploegendienst hebben recht op 272 vakantie-uren op jaarbasis, hoewel dit aantal in de schriftelijke vastlegging van de arbeidsrelatie niet is terug te vinden. Afdeling ‘contract support’ is in contacten met werknemers steeds uitgegaan van 272 vakantie-uren.

Feiten

De acht bij deze procedure betrokken werknemers (hierna: werknemers) zijn werkzaam (geweest) in het ploegendienstteam van werkgeefster. In die ploegendienst draaien zij diensten van 11,25 uur op een dag, gemiddeld op 3,5 dagen per week. Zij zijn werkzaam op een datacenter van Microsoft. Per 1 december 2021 zijn de werknemers binnen het team waarin werknemers werkzaam waren in dienst getreden van (een vennootschap van) Microsoft. Werknemers vorderen veroordeling van werkgeefster tot het met terugwerkende kracht van 1 januari 2020 tot 1 december 2021 corrigeren van het aantal vakantie-uren tot 272 uren per werknemer per jaar. Volgens werknemers is sprake van een verworven recht. In de arbeidsovereenkomst van werknemers is het hogere aantal uren niet opgenomen, maar bij communicatie over verlofuren met werkgeefster of haar afdeling ‘contract support’ is wel jarenlang het hogere aantal uren genoemd. Werkgeefster kan dit niet afdoen als een vergissing, aldus werknemers.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de schriftelijke vastlegging van de arbeidsrelatie tussen partijen is het door werknemers bepleite aantal van 272 verlofuren niet terug te vinden. De vraag is dan ook of niettemin een (aanvullende) afspraak tot stand is gekomen met betrekking tot dat aantal verlofuren. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Allereerst volgt uit een e-mail die werkgeefster op 20 maart 2020 schreef, dat zij in de vacaturetekst voor de functie van werknemers en ook tijdens de sollicitatiegesprekken heeft gesproken over 25 vakantiedagen. Duidelijk is wel dat alle partijen voor één vakantiedag bij de medewerkers in de ploegendienst uitgingen van 11,25 uur. Dat komt omgerekend voor werknemers neer op – afgerond – 277 uren. In de arbeidsovereenkomst die werknemers vervolgens hebben getekend is geen aantal vakantie-uren opgenomen. In het toepasselijke personeelsreglement wordt gesproken over 200 uren, het equivalent van 25 dagen op basis van 8 uren per dag. Werkgeefster heeft echter onvoldoende weersproken dat haar afdeling ‘contract support’ in contacten met werknemers steeds is uitgegaan van 272 vakantie-uren. Weliswaar is slechts voor enkele medewerkers correspondentie overgelegd waar dat uit blijkt, maar uit alles – ook uit de hiervoor al genoemde brief van 20 maart 2020 van werkgeefster – blijkt dat dit al bij aanvang van de arbeidsovereenkomsten het uitgangspunt was. Weliswaar blijft dan de vraag onbeantwoord hoe partijen op 272 uren zijn gekomen, terwijl de rekensom van 25*11,25 op 277 uitkomt, maar dat doet er niet aan af dat werknemers mochten vertrouwen op die 272 uren. Werkgeefster heeft nog aangevoerd dat zij niet gebonden is aan onjuiste mededelingen van haar afdeling ‘contract support’, maar dat kan haar niet baten. Deze afdeling is onderdeel van werkgeefster en uit niets blijkt dat werknemers redenen hadden te twijfelen aan de mededelingen van die afdeling of de bevoegdheid dergelijke mededelingen te doen. Dan resteert de vraag of werkgeefster gerechtigd was het aantal vakantie-uren naar beneden bij te stellen. De kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is. In de kern beroept werkgeefster zich erop dat de afdeling ‘contract support’ een vergissing heeft gemaakt, maar hiervoor is al geoordeeld dat dit geen stand houdt. Een dergelijke vergissing is bovendien geen gewijzigde omstandigheid als bedoeld in het arrest Stoof/Mammoet. Tot slot overweegt de kantonrechter dat de overgang van onderneming nog geen jaar geleden is, zodat werkgeefster voor de uitbetaling van deze af te kopen vakantierechten kan worden aangesproken. Toewijzing van de vordering volgt.