Rechtspraak
Feiten
Partijen (hierna Pontmeyer en FNV) hebben op grond van artikel 96 Rv de vraag aan de rechtbank voorgelegd of het dictum van het arrest zo dient te worden geïnterpreteerd dat salarisverhogingen voortvloeiende uit het boven-cao-beleid of anderszins, toegekend vanaf 1 januari 2012, in mindering hebben te strekken op de op grond van artikel 21 Cao Houthandel over diezelfde periode te betalen indexeringen en eenmalige uitkeringen dan wel dienen te worden ‘gecumuleerd’. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag hoe het dictum van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 juni 2021 - dat (samengevat) ziet op nabetalingen aan 19 boven-cao-werknemers conform artikel 21 van de Cao Houthandel - moet worden begrepen.
Oordeel
De rechtbank oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft uitlegregels geformuleerd die voorschrijven hoe een dictum in een uitspraak en daarin opgenomen veroordelingen moeten worden uitgelegd (HR 20 mei 1994, NJ 1994/652; HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854). Bij de uitleg van een dictum moet de rechtsverhouding niet zelfstandig opnieuw beoordeeld worden. De rechter moet zich beperken tot het toetsen van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De rechtbank deelt het standpunt van Pontmeyer dat het gerechtshof Den Haag met het dictum heeft bedoeld dat de betaalde prestatieverhogingen in mindering komen op het saldo van de indexeringen en eenmalige uitkeringen die de op grond van artikel 21 Cao Houthandel moeten worden betaald. Dit betekent dat FNV ongelijk krijgt. Omdat partijen ter zitting te kennen hebben gegeven de (over en weer) ingebrachte berekeningen niet te betwisten, heeft FNV - ervan uitgaande dat Pontmeyer overeenkomstig die berekeningen heeft nabetaald aan de 19 boven-cao-werknemers - op dit punt niets meer te vorderen.