Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Exience B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 6 april 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:4893
Re-integratie langdurig arbeidsongeschikte werkneemster. Aangepaste functie is nieuw bedongen arbeid geworden. Geen reden voor schadevergoeding, nu ‘mislukte’ re-integratie niet zodanig aan werkgever te verwijten valt dat sprake is van onrechtmatig handelen.

Feiten

Werkneemster is in februari 2010 in dienst getreden bij Exience B.V. in de functie van senior projectmedewerker voor 32 uur per week. Werkneemster was gedetacheerd bij de Rijksoverheid (Rijksgebouwendienst). Op 12 juli 2012 heeft werkneemster zich ziek gemeld in verband met een gezwel in haar hoofd waaraan zij geopereerd moest worden. De operatie heeft in januari 2013 plaatsgevonden. Het UWV heeft in februari 2015 een loonsanctie opgelegd aan Exience tot 19 april 2016, omdat zij niet tijdig een compleet re-integratieverslag heeft toegezonden. Op 1 april heeft de bedrijfsarts een FML opgesteld met betrekking tot werkneemster. Hierin is onder meer te lezen dat er beperkingen zijn op het gebied van concentratie en werktijden en dat de werktijd moest worden opgebouwd naar 24 uur per week. Vanaf mei 2016 is werkneemster in aangepast werk als administratief medewerker bij Exience aan het werk gegaan. Zij heeft haar werkuren geleidelijk opgebouwd naar 24 uur per week. Werkneemster heeft in september 2019 een WIA-aanvraag gedaan. Met ingang van 10 september 2019 is haar een volledige IVA-uitkering toegekend. Werkneemster heeft zich op 13 januari 2020 ziek gemeld en sindsdien niet meer gewerkt. Werkneemster stelt zich thans op het standpunt dat Exience als werkgever onzorgvuldig c.q. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, onder meer door steken te laten vallen tijdens het re-integratieproces. Ook is volgens haar op oneigenlijke wijze 8 uur van de arbeidsovereenkomst ‘afgenomen’ en heeft men haar links laten liggen. Exience voert gemotiveerd verweer. Zij erkent dat er dingen niet goed zijn gegaan (te late inschakeling bedrijfsarts en het enige tijd niet aanbieden van werkzaamheden tijdens het re-integratietraject), maar hiervoor heeft zij van het UWV al een loonsanctie ontvangen. Vervolgens is volgens Exience per mei 2016 een andere arbeidsinvulling overeengekomen en die nieuw bedongen arbeid is jarenlang zonder merkbare problemen of klachten van werkneemster uitgevoerd. Een re-integratie was op dat moment volgens Exience niet meer aan de orde, zodat daarover ook geen verwijt aan haar te maken valt.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De verwijten die werkneemster Exience maakt, hebben betrekking op (1) de periode tussen de ziekmelding in juli 2012 en het einde van de loonsanctie in april 2016 en (2) de periode van april 2016 tot de ziekmelding in januari 2020 en het totale beeld dat in de afgelopen jaren is ontstaan. Ten aanzien van periode (1) hebben de fouten van Exience geleid tot een loonsanctie voor de maximale duur van een jaar. Voor zover in die periode sprake is geweest van onzorgvuldig c.q. onrechtmatig handelen is de sanctie die de wet daarvoor voorziet, ook opgelegd en daarmee omgezet in een maatregel ten gunste van werkneemster. Partijen verschillen van mening over de vraag of in mei 2016 een afspraak tot stand is gekomen over nieuwe bedongen arbeid. Vast staat dat werkneemster op dat moment, na afloop van de loonsanctie, nog niet in staat was haar eigen arbeid volledig te hervatten. De bedrijfsarts heeft in de FML van 1 april 2016 immers nog beperkingen genoemd, onder andere in tijd. Vanaf mei 2016 is werkneemster als administratief medewerker bij Exience aan het werk gegaan. Werkneemster maakt Exience er terecht een verwijt van dat verdere opbouw in uren (boven de 24 uur) zonder overleg met de bedrijfsarts is gestaakt. Aan de andere kant heeft werkneemster Exience niet aantoonbaar aangesproken op verdere urenuitbreiding, andere re-integratieactiviteiten of een bezoek aan de bedrijfsarts. Ook het blijvend lagere loon per mei 2016 is kennelijk voor werkneemster geen reden geweest om Exience daarover aan te spreken. Bovendien heeft werkneemster de aangepaste werkzaamheden bijna vier jaar zonder protest vervuld. Onder die omstandigheden moet de conclusie zijn dat de werkzaamheden die partijen in mei 2016 besproken hebben de nieuw bedongen arbeid is geworden. Ten aanzien van de arbeid die werkneemster tussen 2016 en 2020 heeft verricht, is de conclusie dat dit in urenomvang te belastend is geweest en om die reden niet passend was. Werkneemster heeft jarenlang boven haar kracht gewerkt. Voor zover Exience hiervan een verwijt gemaakt zou kunnen worden, is het geen verwijt dat leidt tot een conclusie dat Exience onrechtmatig heeft gehandeld jegens werkneemster of in strijd heeft gehandeld met artikel 7:611 BW of 7:658a BW. De werkzaamheden zijn immers met haar besproken in mei 2016 en leken op dat moment in overeenstemming met de door de bedrijfsarts in de FML aangegeven beperkingen. Alles overziend moet de conclusie zijn dat de re-integratie van werkneemster helaas niet is geworden wat zij daarvan gehoopt had, maar dat dit niet zodanig aan Exience te verwijten valt dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar zou zijn. De vorderingen worden afgewezen.