Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 augustus 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:2986
Feiten
In het tussenvonnis van 23 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat op de arbeidsverhouding tussen werknemer en werkgever in de tijdvakken van 24 februari 2017 tot en met 31 oktober 2018 en van 8 november 2019 tot en met 31 oktober 2020 de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf die in deze tijdvakken algemeen verbindend is verklaard, van toepassing is. Werkgever moet werknemer daarom over deze twee tijdvakken het cao-loon uitbetalen op basis van indeling in functiegroep D. Ook heeft de kantonrechter vastgesteld dat werkgever aan werknemer in de periode van 20 juli 2015 tot 1 december 2020 regelmatig minder (netto)loon heeft betaald dan hij op grond van de (tussentijds gewijzigde) brutoloonafspraak tussen partijen had moeten betalen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgever het daardoor te weinig betaalde overeengekomen loon nog moet nabetalen. Omdat het petitum van de dagvaarding onvoldoende concreet was en de door werknemer overgelegde berekening voor de nabetaling gebaseerd was op een te hoog cao-loon, was de hoogte van de vordering onvoldoende inzichtelijk om de vordering te kunnen toewijzen. De kantonrechter heeft werknemer daarom in de gelegenheid gesteld zijn eis te wijzigen. Werknemer vordert de betaling van het achterstallige loon (deels conform cao, inclusief 8% vakantiebijslag) over de periode 20 juli 2015 tot 1 december 2020.
Oordeel
Werkgever verzoekt terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis dat hij in de periode van 20 juli 2015 tot 1 december 2020 op girale wijze het overeengekomen loon niet volledig heeft betaald en nog een deel verschuldigd is. Werkgever stelt dat hij werknemer meer loon heeft uitbetaald dan in het tussenvonnis is geoordeeld, via handbetalingen en goederen. Werkgever verwijst daarvoor naar de correspondentie met de bewindvoerder van werknemer, belastingaanslagen, Whatsapp-correspondentie met werknemer en een overzicht van overschrijfbewijzen. De kantonrechter stelt vast dat deze producties voor een deel overzichten betreffen die door werkgever zelf zijn opgesteld en voor een deel stukken zijn die dateren van 2018 en 2020. Werkgever heeft niet toegelicht waarom hij deze producties niet eerder heeft overgelegd. Nu niet duidelijk is waarom de producties nu pas zijn overgelegd, zijn deze te laat ingediend, zodat de kantonrechter daarom al voorbijgaat aan de inhoud daarvan. De kantonrechter ziet overigens in de door werkgever overgelegde producties, die verder niet zijn toegelicht, geen aanknopingspunten voor een (evidente) feitelijke of juridische misslag van het tussenvonnis. Uit de producties blijkt niet dat werknemer meer loon heeft ontvangen dan de eerder genoemde genoemde girale betalingen en de twee contante loonbetalingen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om terug te komen op de beslissing van het tussenvonnis. Werkgever heeft zowel de hoogte van de berekening van het achterstallig overeengekomen loon als de hoogte van de berekening van het nog verschuldigde hogere cao-loon inhoudelijk niet betwist. De kantonrechter ziet ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze berekeningen, die voldoende inzichtelijk zijn. De kantonrechter zal daarom de gevorderde veroordeling van werkgever tot betaling aan werknemer van het achterstallig overeengekomen loon van € 25.542,89 netto en het nog verschuldigde cao-loon van € 18.821,31 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, toewijzen.