Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 22 september 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6797
Feiten
Eiseres (hierna: erfgename) is de gewezen echtgenote en erfgenaam van de in 2013 ziek geworden en in 2015 overleden werknemer. Werknemer is vanaf 1 februari 2011 tot aan zijn overlijden als vastgoedbeheerder in dienst geweest van werkgeefster en heeft als zodanig deelgenomen aan de door werkgeefster voor het personeel getroffen pensioenvoorziening. Het destijds toepasselijke pensioenreglement dateerde van 1 januari 2004 en kende niet de mogelijkheid voor werknemers om een Anw-hiaatpensioen te verzekeren. Per ultimo 2013 is de uitvoering van de pensioenregeling door Aegon Levensverzekering N.V. geëindigd. Met ingang van 1 januari 2014 is de pensioenregeling ondergebracht bij Aegon PPI B.V. (hierna: Aegon PPI) en is een nieuw pensioenreglement gaan gelden. Werkgeefster heeft werknemers hierover in november 2013 geïnformeerd. Werknemer is bij brief van 18 april 2014 over de nieuwe regeling geïnformeerd. In het pensioenreglement is bepaald dat bij overlijden van de deelnemer diens partner - met ingang van de eerste dag van de maand van overlijden en tot en met de laatste dag van de maand waarin de partner de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt - een aanvullend partnerpensioen, het Anw-hiaatpensioen, ontvangt ter hoogte van de wettelijke Anw-uitkering van het jaar waarin de deelnemer overlijdt, indien althans de deelnemer ervoor heeft gekozen om het Anw-hiaatpensioen te verzekeren. Ook is bepaald dat geen aanspraak op Anw-hiaatpensioen bestaat als het overlijden van de deelnemer, gezien zijn gezondheidstoestand bij aanvang van deelname aan de pensioenregeling, redelijkerwijs te verwachten was en dit overlijden heeft plaatsgevonden binnen een jaar nadat de pensioenaanspraken zijn gaan gelden. Bij e-mail van 11 december 2013 heeft werknemer aan werkgeefster bericht: ‘Graag voor mij het pensioen opnieuw afsluiten. Het oude laten staan, conform advies.’ Werknemer heeft zich niet zelf aangemeld bij Aegon PPI. Na het overlijden van werknemer heeft Aegon PPI aan erfgename geen Anw-hiaatpensioenuitkering gedaan, omdat werknemer nooit bij haar is aangemeld voor het Anw-hiaatpensioen. Om die reden heeft Aegon PPI bij werkgeefster ook geen premie voor een dergelijk pensioen in rekening gebracht. Erfgename vordert dat voor recht wordt verklaard dat werkgeefster in verband met het overlijden van werknemer gehouden is aan haar het Anw-hiaatpensioen uit te keren en/of dat zij aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en zal lijden doordat aan haar door toedoen of nalaten van werkgeefster geen Anw-hiaatpensioen is toegekend. Voorts vordert erfgename dat werkgeefster wordt veroordeeld om aan haar die schade, die zij over de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 november 2026 begroot op € 242.485,79, te vergoeden, vermeerderd met rente over een gedeelte van dit bedrag. Werkgeefster betwist de vordering omdat werknemer bij e-mail van 11 december 2013, telefonisch op 23 april 2014 en in het gesprek met werkgeefster op 5 mei 2015 te kennen heeft gegeven niet te kiezen voor het afsluiten van een Anw-hiaatverzekering.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het in dit geding primair om de vraag of werknemer de verklaringen of gedragingen van werkgeefster zodanig heeft opgevat en redelijkerwijs heeft mogen opvatten dat voor hem, ten behoeve van erfgename, bij Aegon PPI een Anw-hiaatverzekering was gesloten. Mocht werknemer er redelijkerwijs op vertrouwen dat werkgeefster aan Aegon PPI heeft doorgegeven dat een Anw-hiaatverzekering voor hem verzekerd moest worden? Bij de beoordeling hiervan laat de kantonrechter drie stadia de revue passeren, te weten: november/december 2013, april/mei 2014 en de periode daarna (tot het overlijden van werknemer). Niet aan elk stadium komt in dit geding eenzelfde betekenis toe. Aan de brief van 18 april 2014 komt in dit geding naar het oordeel van de kantonrechter beslissende betekenis toe dat werknemer daaruit heeft mogen opmaken dat namens hem bij Aegon PPI een Anw-hiaatverzekering was afgesloten en dat hij - als hij een dergelijke aanvullende verzekering toch niet wilde - dat schriftelijk aan zijn werkgever moest laten weten, waarna in dat geval tot een correctie van de loonbetaling over de eerdere maanden van 2014 zou worden overgegaan. Werkgeefster krijgt de opdracht om te bewijzen dat werknemer na ontvangst van de brief van 18 april 2014, deugdelijk geïnformeerd zijnde, aan haar heeft bericht niet te kiezen voor een Anw-hiaatverzekering.