Naar boven ↑

Rechtspraak

erfgename/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31 augustus 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:4314
Geschil tussen erfgename van werknemer en diens toenmalige werkgeefster over Anw-hiaatpensioenverzekering. Waardering van getuigenbewijs over de door gewezen werkgeefster gestelde ‘opt-out’ door werknemer. Werkgeefster is niet geslaagd in het opgedragen bewijs.

Feiten

Bij tussenvonnis van 22 september 2021 heeft de kantonrechter werkgeefster in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat werknemer na ontvangst van de brief van 18 april 2014, deugdelijk geïnformeerd zijnde, aan haar heeft bericht niet te kiezen voor een Anw-hiaatverzekering. De achtergrond van de bewijsopdracht is een belangrijke collectieve wijziging van de pensioenregeling van werkgeefster in 2014, waarmee (potentieel) aanzienlijke financiële belangen van haar personeel waren gemoeid. Een dergelijke wijziging is niet alleen ingrijpend, maar ook complex omdat het gaat om diverse onderdelen van de pensioenvoorziening. De mogelijkheid om een Anw-hiaatverzekering te sluiten was er één van. Het moet de deelnemer allereerst duidelijk zijn welke gevolgen de wijziging voor zijn pensioenaanspraken heeft. Voorts is vereist dat, hoewel het aanbod en de aanvaarding van de nieuwe pensioenregeling in beginsel vormvrij kunnen plaatsvinden, de deelnemer met de wijziging welbewust instemt en daarvan ondubbelzinnig blijk geeft. Onderscheiden moet dus worden enerzijds de duidelijkheid van de pensioeninformatie die de deelnemer is verstrekt en anderzijds de bewustheid en ondubbelzinnigheid van diens instemming met de wijziging.

Oordeel

Was de verstrekte pensioeninformatie duidelijk?

De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster een onjuiste lezing geeft van de bewijsopdracht. Die luidt niet - ook - dat werkgeefster had te bewijzen dat werknemer ná de brief van 18 april 2014 deugdelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid van het afsluiten van een Anw-hiaatverzekering, maar dat hij na de brief van 18 april 2014 aan haar heeft bericht dat hij niet koos voor zo’n verzekering terwijl hij (over de mogelijkheid om die verzekering te sluiten en de condities waaronder dat kon) deugdelijk was ingelicht.

Was er een welbewuste en ondubbelzinnige instemming?

Bij de waardering van het door werkgeefster aangedragen bewijs benadrukt de kantonrechter dat het in dit geding gaat om een Anw-hiaatverzekering die, blijkens de op 6 december 2013 aan werknemer verstrekte informatie van Aegon PPI, ‘standaard in de regeling opgenomen’ was. Omdat de deelnemer wel zelf voor de verzekering moest kiezen, heeft werkgeefster bij brief van 18 april 2014 aan hem meegedeeld dat hij vóór 10 mei 2014 schriftelijk moest laten weten dat hij geen gebruik van de vrijwillige verzekering wilde maken. Werkgeefster heeft dus zelf aan de ‘opt-out’ van de deelnemers de eis van schriftelijkheid gesteld. Die eis had een goede reden, omdat immers voorkómen moest worden dat daarover misverstand of geschil zou kunnen ontstaan. Dit sluit niet uit dat werknemer, na de brief van 18 april 2014, zijn keuze anders dan in schriftelijke vorm aan werkgeefster kenbaar heeft gemaakt, maar aan het bewijs van een mondelinge keuze om geen Anw-hiaatverzekering te sluiten moeten dan wel hoge eisen worden gesteld. Daaraan is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldaan. Werkgeefster is niet in het opgedragen bewijs geslaagd. Daarmee heeft in dit geding te gelden dat werkgeefster, als goed werkgever, bij de uitvoering van de wijziging van de pensioenovereenkomst met werknemer ervoor zorg had moeten dragen dat het Anw-hiaat van hem vanaf 1 januari 2014, op de door Aegon PPI aan werknemer meegedeelde condities, verzekerd was. Dit heeft zij niet gedaan en daardoor heeft erfgename schade geleden en lijdt zij nog steeds schade. Werkgeefster is gehouden tot vergoeding van de schade ten bedrage van € 108.720,86 bruto.