Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 25 oktober 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:3695
Feiten
Werkneemster is op 1 november 2010 in dienst getreden bij Vluchtelingenwerk Limburg. In 2015 is werknemer in de gelegenheid gesteld extra uren (op declaratiebasis) te werken. Werkneemster heeft bij herhaling aangedrongen om de declaratie-uren in haar ‘vaste arbeidsovereenkomst’ op te nemen. Op 25 november 2015 is werkneemster tijdens haar werk ten val gekomen. Zij heeft zich daarna ziek gemeld. De bedrijfsarts oordeelde op 2 februari dat er geen medische beperkingen meer waren. Wel was sprake van problematiek op het gebied van werkdruk en werksfeer. Werkneemster is op 18 februari 2016 volledig aan het werk gegaan. Op 10 maart 2016 heeft werkneemster een klacht ingediend bij de landelijke Klachtencommissie van Vluchtelingenwerk, waarin zij onder meer heeft geklaagd over het niet structureel opnemen van declaratie-uren in de arbeidsovereenkomst. De klachtencommissie heeft werkneemster niet-ontvankelijk verklaard. Op 6 april 2016 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Na het gesprek heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 18 april 2016 is besproken dat de wens van werkneemster om afgezonderd van haar collega's te werken niet kan worden ingewilligd. Aan werkneemster is in overweging gegeven een deskundigenoordeel te vragen indien zij meende dat het verrichten van arbeid om medische redenen niet mogelijk was. Werkneemster is daarna niet meer op het werk verschenen. De bedrijfsarts heeft op 2 mei 2016 geoordeeld dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie en dat de klachten niet konden worden aangemerkt als medische beperkingen en/of ziekte. Vanwege de verstoorde arbeidsrelatie zijn partijen een mediationtraject gestart. Dat traject heeft niet tot een positief resultaat geleid. Op 26 juli 2016 heeft Vluchtelingenwerk een verzoekschrift tot ontbinding ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling van die procedure hebben partijen een minnelijke regeling getroffen waarin o.a. is overeengekomen: ‘Na betaling van voornoemde bedragen verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van de tussen hen bestaand hebbende dienstverbanden, met uitzondering van aanspraken van partij werkneemster op partij Vluchtelingewerk ter zake van eventuele letselschade.’ Bij brief van 1 juli 2020 heeft werkneemster Vluchtelingenwerk aansprakelijk gesteld, omdat zij een burn-out heeft opgelopen. In verband daarmee vordert zij schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Werkneemster komt daartegen in hoger beroep.
Oordeel
Het centrale geschilpunt tussen partijen ziet op de vraag wat de reikwijdte is van het voorbehoud van werkneemster in de vaststellingsovereenkomst ter zake van het begrip ‘letselschade’. Is dat alleen de fysieke schade als gevolg van de val op 25 november 2015 (stelling Vluchtelingenwerk) of omvat die ook andere, psychische schade (stelling werkneemster)? Het hof beoordeelt dit aan de hand van de Haviltex-norm en oordeelt dat niet met recht en reden de stelling kan worden gehandhaafd dat (ook) schade betrekking hebbend op de ‘burn-out’ van werkneemster deel uitmaakt van het begrip ‘letsel’ zoals verwoord in het finalekwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst. Het hof sluit daarbij aan bij hetgeen de kantonrechter heeft geoordeeld, namelijk dat partijen zich alletwee op het standpunt hebben gesteld dat een opzegverbod niet aan de orde was. Werknemer heeft zich in haar verweerschrift verder op het standpunt gesteld dat de werkelijke spanningsbron voor haar de onzekerheid/onduidelijkheid was omtrent de declaratie-/overwerkuren. Ook de bedrijfsarts was van oordeel dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie, maar niet van medische beperkingen. En ten slotte heeft werkneemster in haar verweerschrift uitdrukkelijk aangegeven de vordering vanwege medische kosten vanwege haar val buiten de ontbindingsprocedure te willen houden. Het hof voegt hier nog aan toe dat de nu aangevoerde spanningsklachten (door werkneemster zelf geduid als burn-out) in de procedure tot ontbinding ondanks haar stelling in de eerdere brief aan de klachtencommissie geen thema (meer) was. Ook het al dan niet schenden van het geheimhoudingsbeding van de mediationovereenkomst – voor zover daar al sprake van is – valt onder het beding van finale kwijting.