Rechtspraak
Feiten
Werkneemster en de directeur van werkgever zijn in 2014 een affectieve relatie met elkaar aangegaan. In datzelfde jaar zijn zij gaan samenwonen en zijn zij getrouwd. In januari 2016 is werkneemster voor 12 uur per week in dienst getreden van werkgever. Op 29 januari 2016 is werkneemster door de algemene vergadering van aandeelhouders tot bestuurder benoemd. Daarnaast is 5% van de aandelen in werkgever aan werkneemster overgedragen. Op 14 april 2019 heeft de directeur werkneemster met ingang van 20 juli 2018 bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van werkgever. Dit is op 14 mei 2020 gewijzigd naar 3 februari 2019. Op 24 juni 2019 heeft er een incident plaatsgevonden in de privésfeer tussen werkneemster en de directeur. In het najaar van 2019 hebben zij geprobeerd hun verhouding te herstellen. In november 2019 heeft zich wederom een incident in de privésfeer voorgedaan. Bij brief van 23 maart 2020 heeft werkneemster de directeur gesommeerd tot betaling van loon en vakantiegeld over de periode van 1 januari 2016 tot en met 24 juni 2019. Op 18 juni 2020 heeft werkgever werkneemster gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 19.743,89 ter zake van een rekening-courantschuld. Werkneemster heeft in eerste aanleg (na eiswijziging) onder andere verzocht om een verklaring voor recht dat er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen partijen en dat het ontslagbesluit van 3 februari 2019 nietig is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het ontslagbesluit van 3 februari 2019 nietig is en de arbeidsovereenkomst dus nog voortduurt. De rechtbank heeft de verzoeken van werkneemster om werkgever te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding afgewezen. Werkneemster en werkgever zijn in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Werkgever bestrijdt dat het ontslagbesluit nietig is. Het hof stelt vast dat werkgever werkneemster op 18 januari 2019 per e-mail heeft uitgenodigd voor de AVA. Niet is gebleken dat niet is voldaan aan alle oproepingseisen. Ook is niet gebleken dat werkneemster deel heeft genomen aan de AVA. Zij zat namelijk op dat moment in het vliegtuig. Het hof komt tot de conclusie dat het ontslag van werkneemster als bestuurder van werkgever op 3 februari 2019 niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Werkneemster bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zij alleen van 1 januari 2019 tot en met 24 juni 2019 recht heeft op loon. Dit zou tot 30 juni 2021 moeten zijn. Het hof gaat er in het navolgende daarom van uit dat werkneemster in elk geval tot 24 juni 2019 recht heeft op doorbetaling van haar loon. Het hof is van oordeel dat ook voldoende is komen vast te staan dat werkneemster na 24 juni 2019 geen werkzaamheden meer voor werkgever heeft verricht. Daarbij is van belang dat er op 24 juni 2019 een incident in de privésfeer tussen werkneemster en de directeur heeft plaatsgevonden. De directeur wordt in de brief van 23 maart 2020 namens werkneemster gesommeerd tot betaling van haar loon tot en met 24 juni 2019, omdat zij gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 24 juni 2019 werkzaamheden voor werkgever heeft verricht. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat werkneemster na 24 juni 2019 haar werkzaamheden zou hebben voortgezet. Na 24 juni 2019 heeft werkneemster dus geen recht op loon. Werkneemster komt ook op tegen het oordeel dat de rechtbank geen transitievergoeding en billijke vergoeding heeft toegewezen. Naar het oordeel van het hof is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door de rechtbank terecht ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Partijen zijn het er immers over eens dat hiervan sprake is. Werkgever heeft in dat kader niet ernstig verwijtbaar gehandeld.