Naar boven ↑

Rechtspraak

appellanten/WFC c.s.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 29 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:10268
Kort geding: bewijsbeslag en inzagevordering. In dit kort geding oordeelt het hof dat geïntimeerden voldoende hebben gesteld om de inzagevordering in het beslagen bewijsmateriaal toe te wijzen.

Feiten

World Freight Company S.A.S. (hierna WFC), haar dochter-bv, Euro Cargo Aviation B.V. (hierna ECA) en Take Of Aviation B.V. (hierna Take Off) zijn General Sales Agents (hierna: GSA), die als vertegenwoordigers van luchtvaartmaatschappijen vraag en aanbod in het luchtvrachtvervoer bijeenbrengen. ECA en Take Off zijn gelieerde bedrijven. WFC en de dochter-bv enerzijds en ECA en Take Off anderzijds zijn concurrenten. Vier directeuren (hierna: de CEO1, de CFO, de CEO2 en de managing director) zijn bestuurder geweest van WFC en de dochter-bv. Zij worden hierna de Bestuurders genoemd. De Bestuurders hebben allen hun arbeidsovereenkomst bij WFC c.s. opgezegd in de periode 2018-2020. De CFO, de CEO2 en de managing director zijn nu in dienst bij ECA of bij Take Off. De DGA is (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van ECA en Take Off. De arbeidsovereenkomsten tussen de Bestuurders en WFC c.s. bevatten geheimhoudings-, nevenwerkzaamheden-, non-concurrentie- en/of niet-wervingsbedingen. WFC c.s. stellen dat de Bestuurders deze bedingen hebben geschonden, dat zij wanprestatie hebben gepleegd door tijdens hun dienstverband een indirect belang te nemen in ECA en Take Off, door opdrachten en bedrijfsvertrouwelijke informatie aan ECA door te spelen en – ook na beëindiging van het dienstverband – op ongeoorloofde manier werknemers en klanten van WFC c.s. te bewegen in dienst te treden bij ECA of Take Off of klant te worden van deze rechtspersonen. ECA, Take Off en de DGA zouden volgens WFC c.s. onrechtmatig hebben geprofiteerd van de wanprestatie van de Bestuurders. WFC c.s. stellen ook dat zij ieder individueel en als groep onrechtmatig tegenover hen hebben gehandeld. WFC c.s. hebben verlof gekregen om conservatoir bewijsbeslag te leggen onder de Bestuurders, welk beslag is gelegd op 13 januari 2021. In dit kort geding gaat het om de vraag of WFC c.s. inzage in en afschrift van de bewijsmiddelen mogen krijgen ex artikel 843a Rv, waarop zij onder de Bestuurders conservatoir bewijsbeslag hebben gelegd. Beoordeeld moet worden of WFC c.s. een rechtmatig belang bij hun inzagevordering hebben, of er sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen, of de eis van 'bepaalde bescheiden' door WFC c.s. in acht is genomen en of gewichtige redenen zich verzetten tegen inzage. De voorzieningenrechter heeft deze inzage toegestaan, uitgezonderd bewijsmiddelen die uitsluitend zijn verkregen op basis van de zoektermen ‘tijdelijk’, ‘namens’, ‘voor’ en ‘terug’, bewijsmiddelen die bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten waarvan WFC c.s. geen rechtens te respecteren belang hebben bij kennisneming, en bewijsmiddelen, die uitsluitend betrekking hebben op het privéleven van de Bestuurders en de DGA. De Bestuurders en de DGA komen in deze procedure op tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter: zij verdedigen dat iedere inzage moet worden afgewezen. Het hof heeft in zijn arrest van 7 september 2021 de vordering van appellanten tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. WFC c.s. hebben in hun memorie van antwoord in het principaal hoger beroep gebruikgemaakt van de bewijsmiddelen, waarin zij intussen inzage hebben gehad.

Oordeel

Niet-ontvankelijkheidsvordering tegen managing director en verzoek opheffing beslag

Het hof stelt allereerst dat het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de vordering tegen de managing director niet slaagt en het verzoek tot opheffing van bewijsbeslag ten opzichte van de managing director, de DGA, ECA en Take Off wordt afgewezen, omdat WFC c.s. voldoende hebben gesteld om het verzoek tot het leggen van bewijsbeslag onder ECA c.s. te honoreren.

Spoedeisend belang van WFC c.s.

Appellanten betwisten dat WFC c.s. een spoedeisend belang hebben bij de inzagevordering. Zij vinden dat WFC c.s. daarvoor een bodemprocedure hadden moeten starten. Het hof oordeelt deze grieven ongegrond omdat WFC c.s. opheldering willen over de feiten rondom het verkrijgen van de Bestuurders van een belang in Vintage en rondom de overstap van de CFO, de CEO2 en de managing director naar ECA om te kunnen beoordelen of het zin heeft een procedure tegen appellanten te starten en om te kunnen bepalen welke vorderingen zij dan zullen instellen tegen appellanten. Naar haar aard heeft zo’n vordering als uitgangspunt een spoedeisend karakter, omdat het niet wenselijk is dat de gegevens die voor de te starten procedure van belang zijn, pas na de nodige tijd procederen in een daaraan voorafgaande bodemprocedure beschikbaar komen.

Het bewijsmateriaal dat inmiddels aan WFC c.s. ter inzage is gegeven

Appellanten hebben aangevoerd dat dit ter inzage verstrekte bewijs niet mag worden betrokken in de beoordeling van de vraag of de inzagevordering van WFC c.s. voldoet aan de vereisten van artikel 843a Rv. Het hof oordeelt dat als uitgangspunt geldt dat een partij in hoger beroep haar stellingen mag uitwerken aan de hand van nieuw bewijsmateriaal. Dit uitgangspunt brengt mee dat WFC c.s. al het ter inzage gegeven bewijsmateriaal mogen gebruiken om aan te tonen dat aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt echter mee dat het hof het aanvullende bewijsmateriaal alleen betrekt in zijn afwegingen voor zover het tijdens de mondelinge behandeling specifiek is besproken.

Rechtsbetrekking; onrechtmatig handelen

WFC c.s. hebben over de rechtsbetrekking als voorwaarde voor toewijzing van de inzagevordering gesteld dat de Bestuurders wanprestatie uit hun arbeidsovereenkomsten hebben gepleegd en dat zij en de DGA, ECA en Take Off ieder individueel onrechtmatig hebben gehandeld, alsmede als groep onrechtmatig hebben gehandeld zoals bedoeld in artikel 6:166 BW. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW. Het hof moet onderzoeken of het op basis van het inmiddels beschikbaar gekomen bewijsmateriaal voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van overtreding van de
Boogaard/Vesta-norm (HR 9 december 1955, NJ 1956/157) om toewijzing van de inzagevordering te rechtvaardigen en vervolgens ook of ten opzichte van de overgegane klanten kan worden gesproken over het ongeoorloofd afbreken van het duurzame debiet van WFC c.s. Het hof oordeelt voorshands in het kader van de beoordeling van de inzagevordering van WFC c.s. dat de Bestuurders stelselmatig en substantieel en daarmee onrechtmatig het duurzame debiet van WFC c.s. hebben afgebroken door ongeveer dertig werknemers van WFC c.s. te benaderen voor ECA c.s. te gaan werken en door klanten te bewegen naar ECA over te stappen en dat ECA c.s. daarvan onrechtmatig hebben geprofiteerd.

Inzicht WFC c.s. in bepaalde gegevens

Gegriefd wordt tegen onder meer het feit dat WFC c.s. te ruime zoektermen hebben opgegeven, waardoor gegevens onder het beslag zijn komen te vallen die geen relevantie hebben voor het geschil van partijen en gegevens die privé en bedrijfsvertrouwelijk zijn. Het hof oordeelt dat appellanten moeten gehengen en gedogen dat DigiJuris (de door WFC c.s. benoemde onafhankelijke deskundige) onbeperkt inzage verkrijgt in de in conservatoir bewijsbeslag genomen bewijsmiddelen, aangevuld met de voorwaarde dat WFC c.s. DigiJuris instrueren dat zij kopieën van alle bestanden, voor zover aan WFC c.s. ter inzage gegeven of in afschrift verstrekt en inclusief de zwartgemaakte passages, (alsnog) in kopie verstrekt aan degene onder wie dat bestand in bewijsbeslag is genomen. Het hof stelt tevens vast dat WFC c.s. geen recht op inzage hebben in en/of geen recht heeft op afschrift van bewijsmiddelen.