Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 28 februari 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:275
Feiten
Werknemer is sinds 1 april 2018 in dienst bij de gemeente Rotterdam (hierna: de gemeente). Op 21 september 2021 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente aan werknemer bericht dat zijn salaris met ingang van 5 oktober 2021 is opgeschort. Werknemer was niet verschenen op een afspraak met zijn direct leidinggevende om de re-integratie te bespreken. Op 2 november 2021 is werknemer niet verschenen op een afspraak bij de bedrijfsarts. Vervolgens is werknemer op 11 november 2021 wel op de afspraak bij de bedrijfsarts verschenen. De volgende dag heeft de gemeente met werknemer een gesprek gevoerd over het verrichten van passende arbeid. De leidinggevende heeft in het gesprek laten weten dat de passende arbeid conform het advies van de bedrijfsarts moet worden aangevangen. Werknemer diende hiertoe op 24 november 2021 op het werk te verschijnen. Werknemer heeft te kennen gegeven mentale klachten te hebben. Op 23 november 2021 heeft werknemer gemeld dat hij op 24 november 2021 een afspraak bij zijn fysiotherapeut had en hij daarom niet kon verschijnen. Hij heeft laten weten dat hij op 25 november 2021 met de passende arbeid zou beginnen. Op 25 november 2021 is werknemer op het werk verschenen. Werknemer heeft op 6 december 2021 een computer op de grond gegooid. Op 21 december 2021 heeft de gemeente werknemer bericht dat de re-integratie moeizaam verloopt en heeft hij een waarschuwing gekregen voor ontoelaatbaar gedrag. Aan werknemer is verzocht passende arbeid te hervatten. De volgende dag is werknemer niet verschenen. De gemeente heeft zijn loon gestaakt. Op 18 januari 2022 is een deskundigenoordeel aangevraagd door de gemeente. Uit het deskundigenoordeel blijkt dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn. De loondoorbetaling is per 31 maart 2022 hervat. In eerste aanleg heeft de gemeente verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de gemeente voldoende heeft onderbouwd dat werknemer zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW niet is nagekomen en dat werknemer de hierop gerichte stellingen van de gemeente niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het gaat hierbij in het bijzonder om de verplichting passende arbeid te verrichten. Het hof gaat uit van het oordeel van de bedrijfsarts van 11 november 2021 dat werknemer aangepast werk kon verrichten en het deskundigenoordeel waarin staat dat er rekening mee gehouden moest worden dat werknemer niet langer dan tien à vijftien minuten kon zitten vanwege een zeer specifieke aandoening. Uit de stukken en de wederzijdse uitlatingen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep rijst het beeld van een werknemer die zich niet heeft willen neerleggen bij het oordeel dat hij voor het volledige aantal uren tot aangepast werk in staat moest worden geacht en die zich dienovereenkomstig heeft opgesteld tegenover zijn werkgever. Werknemer heeft als rechtvaardiging aangevoerd dat hij de mantelzorg voor zijn moeder droeg. Hij heeft verzocht om thuis te werken, maar dat verzoek is afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van thuiswerkend personeel. De gemeente heeft aangevoerd dat zij in dit gesprek verrast was over de mantelzorg. Zij heeft geen kans gekregen om hierover een standpunt in te nemen omdat werknemer direct opstond en het gesprek verliet. Uit de eigen toelichting van werknemer blijkt slechts dat hij zich op 12 en 22 november 2021 bereid heeft getoond om thuis te werken. Uit zijn lezing van de gesprekken komt niet uit de verf dat hij zich constructief opstelde op basis van het advies van de bedrijfsarts. Op 25 november 2021 is werknemer van het werk weggegaan omdat hij niet kon inloggen en pijnklachten ervoer. Ook indien juist zou zijn dat werknemer niet kon inloggen en pijnklachten had van het zitten, lag het tegen de achtergrond van de eerdere pogingen van de gemeente om tot werkafspraken met hem te komen, op de weg van werknemer zich daarover in verbinding te stellen met zijn leidinggevende. Waar het om gaat, is dat werknemer door te handelen zoals hij heeft gedaan op 25 november 2021 zijn verplichting op grond van artikel 7:660a lid 1, aanhef en onder c, BW op geen enkele wijze serieus heeft genomen.