Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 december 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:5341
Feiten
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees (hierna: VLEP) is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf. Onderneming 2 was tot 27 februari 2019 enig aandeelhouder van onderneming 1, maar heeft haar aandelen per die datum overgedragen aan A. A is daarvoor niet zelf naar het notariskantoor gekomen, maar heeft zich door middel van een volmacht door een ander laten vertegenwoordigen. Volgens het Handelsregister is A tussen 27 februari 2019 en 22 maart 2021 ook bestuurder van onderneming 1 geweest. Bij brief van 16 december 2021 heeft VLEP A aansprakelijk gesteld voor premievorderingen over de premiejaren 2018 en 2019 van in totaal € 44.105,25. A is gesommeerd dit bedrag binnen 30 dagen te voldoen. Dit heeft hij niet gedaan. Op 31 maart 2022 heeft VLEP een dwangbevel van 17 maart 2022 aan A laten uitreiken met het bevel een bedrag van € 44.219,26 (hoofdsom vermeerderd met explootkosten) te betalen. A heeft wederom niet betaald. A vordert het verzet tegen het dwangbevel van VLEP gegrond te verklaren en het dwangbevel buiten effect te stellen. A stelt zich op het standpunt dat hij nooit bestuurder van onderneming 1 is geweest en vermoedt dat hij slachtoffer is geworden van kwade bedoelingen van derden. VLEP stelt zich op het standpunt dat de inschrijving van A als bestuurder van onderneming 1 in het Handelsregister op grond van de wet bindende kracht heeft jegens derden en dat zij daarom mag en moet kunnen afgaan op de juistheid van deze inschrijving.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vaststaat dat onderneming 1 onder de werkingssfeer van VLEP valt, dat onderneming 1 in gebreke is gebleven met betaling van de verschuldigde pensioenbijdragen en dat namens onderneming 1 geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht is gedaan. De in artikel 25 Hrw genoemde derdenbescherming is echter alleen bedoeld voor ‘rechtsbetrekkingen, op het aangaan waarvan het ontbreken van een juiste en volledige inschrijving in het Handelsregister van hetgeen daarin wettelijk ingeschreven moet worden in het algemeen van invloed kan zijn’. Nu de vordering van VLEP niet is gebaseerd op een dergelijke rechtsbetrekking, maar op de wet, komt VLEP geen beroep toe op derdenbescherming. Aan de inschrijving in het Handelsregister kan echter wel het vermoeden worden ontleend dat de ingeschreven persoon ook daadwerkelijk bestuurder was. A heeft zijn betwisting dat hij bestuurder van onderneming 1 is geweest onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat A van 27 februari 2019 tot 22 maart 2021 bestuurder van onderneming 1 in de zin van de Wet Bpf is geweest. Voor aansprakelijkheid van A is van belang of hij bestuurder was van onderneming 1 in de periode waarin onderneming 1 in gebreke was met het betalen van de pensioenbijdragen. Op grond van de toepasselijke wet en regelgeving kan hem in de periode daarvoor het niet melden van de betalingsonmacht niet worden verweten. Er kan dus ook geen sprake zijn geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van zijn kant in de periode van drie jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop onderneming 1 met haar betalingsverplichting in gebreke was. VLEP heeft tot slot nagelaten deugdelijk te onderbouwen wanneer onderneming 1 in gebreke was met de betaling van pensioenbijdragen. Er zijn geen premienota’s in het geding gebracht waaruit dit kan worden afgeleid en er is hierover niets gesteld. Om die reden kan niet worden vastgesteld welke premienota’s opeisbaar zijn geworden tijdens het bestuurderschap van A en wanneer A ten aanzien van deze premienota’s een melding van betalingsonmacht had moeten doen. De aansprakelijkheid van A kan aldus niet worden vastgesteld. De vorderingen van A worden toegewezen.