Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Plaza Nederland B.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 juni 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1836
Voormalig werkneemster heeft geen recht op uitbetaling van de overuren. Hiervoor ontbrak onder meer de opdracht of instemming van werkgeefster.

Feiten

Werkneemster was sinds 1 mei 2016 in dienst van Plaza Nedeland B.V. (hierna: Plaza), laatselijk als beleidsadviseur kwaliteit en innovatie. In artikel 3.3 de arbeidsovereenkomst is een bepaling opgenomen over overwerk. De arbeidsovereenkomst is op 31 oktober 2021 beëindigd. In de onderhavige procedure vordert werkneemster de veroordeling van Plaza onder meer tot betaling van € 86.353,42 aan onbetaalde overuren. Volgens werkneemster heeft zij in de jaren 2019 en 2020 in totaal ruim 2.150 overuren gewerkt. Plaza betwist de vorderingen van werkneemster. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster afgewezen. Werkneemster is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen.

Oordeel

Partijen zijn voor wat betreft te werken overuren in artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat Plaza gerechtigd was opdracht tot overwerk te geven. Dat Plaza (impliciet of expliciet) opdracht aan werkneemster zou hebben gegeven tot het verrichten van overwerk blijkt naar het oordeel van het hof nergens uit. Werkneemster heeft in dit opzicht haar stellingen niet, althans onvoldoende, feitelijk onderbouwd, terwijl de stelplicht en bewijslast dat sprake is van overwerk dat voor vergoeding in aanmerking komt op haar rust. Het hof is van oordeel dat alleen al op grond van het ontbreken van opdrachten tot het verrichten van overwerk de vorderingen van werkneemster niet kunnen worden toegewezen en dat haar grieven in dat opzicht niet slagen. Voor zover werkneemster heeft betoogd dat Plaza op de hoogte was van het feit dat zij veel meer uren werkte dan overeengekomen en dat Plaza impliciet of expliciet ermee instemde dat werkneemster te veel uren werkte en daarvan (bewust) profiteerde, slaagt ook dat betoog niet. Daarbij stelt het hof vast dat werkneemster, tot haar e-mailbericht van 31 december 2020, geen financiële consequenties verbindt aan de volgens haar als overwerk gewerkte uren. Het had voor de hand gelegen dat werkneemster, indien zij inderdaad al in 2019 van mening was dat zij te veel uren moest werken en dat zij die overuren betaald wilde zien door Plaza, dit op een heldere manier eerder aan Plaza kenbaar had gemaakt. Plaza had dan de juistheid van de gestelde overuren meteen kunnen controleren en had maatregelen kunnen nemen om te voorkomen dat werkneemster in de uitoefening van haar taken te veel uren werkte. Die mogelijkheid is haar nu ontnomen. Dat werkneemster pas eind december 2020 voor het eerst daadwerkelijk betaling van overuren verzocht, hangt naar het oordeel van het hof onlosmakelijk samen met het feit dat werkneemster geen bevredigende reactie kreeg op een door haar, in verband met de eventuele participatie van werkneemster in de onderneming, gedaan “loonhuisvoorstel”. Het hof is van oordeel dat het feit dat werkneemster kennelijk teleurgesteld was/werd in haar verwachting te kunnen participeren in de onderneming geen grond biedt om vervolgens de volgens haar, boven het in de arbeidsovereenkomst bepaalde aantal uren, gewerkte uren integraal als overuren in rekening te brengen bij Plaza. Daarbij komt dat een beloning voor het door werkneemster binnen redelijke proporties te verrichten overwerk is begrepen in haar salaris.