Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 augustus 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:7065
Kort geding tot betaling van het achterstallig loon. Zonder bewijslevering onvoldoende aannemelijk dat werkneemster recht heeft op betaling van het achterstallig loon.

Feiten

Werkneemster en naam 1 hebben op 6 maart 2023 een arbeidsovereenkomst ondertekend. In die arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werkneemster met ingang van 6 maart 2023 in dienst treedt van bedrijf 1 als statutair directeur voor de duur van éen jaar. In haar brief van 1 mei 2023, gericht aan werkgeefster, heeft werkneemster haar arbeidsovereenkomst opgezegd per 28 mei 2023. De gemachtigde van werkneemster heeft bedrijf 1 meermaals aangemaand tot betaling van achterstallig loon. Werkneemster eist onder meer werkgeefster te veroordelen aan haar het achterstallig loon te betalen. Hoewel werkneemster initieel van mening was dat zij in dienst was getreden bij bedrijf 1, gaat zij akkoord met het feit dat zij een arbeidsovereenkomst zou hebben gesloten met werkgeefster. Werkneemster heeft niet al haar loon ontvangen over de periode 6 maart 2023 tot en met 28 mei 2023. Uitgaande van wat partijen zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst had werkneemster recht op een bedrag van € 12.325,50 bruto. Volgens werkgeefster is de eis van werkneemster gestoeld op de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en bedrijf 1 en staat zij daar buiten. Werkgeefster eist zelf dat werkneemster wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. 

Oordeel 

Uit de stelling van werkneemster dat zij nog een bedrag aan loon moet ontvangen en dat zij daardoor op termijn haar financiële verplichtingen niet meer kan nakomen, vloeit voort dat werkneemster een spoedeisend belang heeft bij haar eis. Partijen zijn het erover eens dat werkneemster een dienstverband heeft gehad met werkgeefster. Werkneemster heeft volgens de kantonrechter recht op het loon van € 4.150 bruto per maand uit de arbeidsovereenkomst met bedrijf 1 - waaraan verder geen uitvoering is gegeven - op grond van haar arbeidsovereenkomst met werkgeefster. Werkneemster heeft echter onvoldoende onderbouwd op basis waarvan zij jegens werkgeefster aanspraak kan maken op het loon dat zij met bedrijf 1 was overeengekomen. Voor een bewijslevering is in kort geding geen plaats. De conclusie is dat zonder bewijslevering onvoldoende aannemelijk is dat werkneemster aanspraak kan maken op betaling van enig bedrag aan achterstallig loon. De eis van werkneemster wordt afgewezen. De kantonrechter wijst het verzoek om een volledige proceskostenveroordeling af.