Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 augustus 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1925
Feiten
In het op 20 december 2022 tussen partijen gewezen arrest is overwogen dat KLM Catering Services Schiphol B.V. (hierna: KCS) tegenover werknemer niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. In het tussenarrest van 8 oktober 2019 in die zaak had het hof al overwogen dat ook geen sprake was van aansprakelijkheid van KCS op grond van artikel 7:611 BW. De kantonrechter heeft voor de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk was, getoetst aan het zogenoemde gevolgencriterium. Naar het oordeel van de kantonrechter trof KCS van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid en het voortduren daarvan geen verwijt. Hoewel werknemer als gevolg van het ontslag een inkomensverlies lijdt van - naar zijn zeggen - € 470,54 tot € 558,19 per maand, alsmede ernstig geraakt wordt in zijn pensioenopbouw, maakt dit de opzegging nog niet kennelijk onredelijk, ook niet mede in verband met de overige omstandigheden. Met zijn grieven voert werknemer aan dat zijn arbeidsongeschiktheid in de risicosfeer van KCS lag, en dat het er daarmee niet toe doet of KCS geen verwijt van het ontstaan en voortduren van de arbeidsongeschiktheid valt te maken. Tevens voert werknemer aan dat de opzegging zonder vergoeding heeft plaatsgevonden. De combinatie van die omstandigheden zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden die maken dat de opzegging kennelijk onredelijk is, aldus werknemer in de grieven 1 en 4. Met de grieven 2 en 3 betoogt werknemer daarbij dat KCS van de arbeidsongeschiktheid en het voortduren ervan wel een verwijt te maken valt. Hij wijst daarbij op de onvoldoende re-integratie-inspanningen van KCS. Volgens artikel 68 van de toen geldende cao kon het dienstverband met volledig arbeidsongeschikte werknemers pas worden verbroken twaalf maanden na de ingangsdatum van de WAO/WIA.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat KCS enig verwijt treft ter zake van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van werknemer. Ook is niet gebleken dat KCS per saldo te kort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen. Weliswaar is KCS een loonsanctie opgelegd, maar als gevolg hiervan is werknemer een jaar lang volledig doorbetaald terwijl niet is gebleken dat re-integratiekansen gemist zijn. Dat in strijd is gehandeld met artikel 68 van de cao is niet komen vast te staan. Het is juist dat werknemer als gevolg van het ontslag inkomensverlies heeft geleden, maar de gestelde hoogte hiervan is, mede gelet op de lengte van het dienstverband en de periode van doorbetaling tijdens ziekte, niet zodanig dat dit de opzegging kennelijk onredelijk maakt. Al met al is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de opzegging door KCS kennelijk onredelijk was. De grieven 1 tot en met 4 slagen niet.