Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 26 september 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:3087
Feiten
Werkgeefster heeft met ABP een overeenkomst gesloten waarmee zij zich vrijwillig heeft aangesloten bij ABP, zodat haar personeel pensioen kan opbouwen bij ABP. Werkgeefster betaalt premies aan ABP voor die pensioenopbouw. De ex-werknemers van werkgeefster kunnen (onder bepaalde voorwaarden) pensioen blijven opbouwen bij ABP gedurende de periode dat zij na het einde van de arbeidsovereenkomst met werkgeefster recht hebben op een WW-uitkering. Ook over die periode van pensioenopbouw brengt ABP pensioenpremies bij werkgeefster in rekening. ABP heeft informatie nodig om dit te kunnen doen. Voor het personeel van verplicht aangesloten werkgevers heeft ABP de benodigde gegevens altijd ontvangen van het UWV. Die informatie kon niet op diezelfde (geautomatiseerde) wijze worden verstrekt door het UWV voor wat betreft de ex-werknemers van vrijwillig aangesloten werkgevers zoals werkgeefster. Zij heeft die informatie niet aan ABP doorgegeven. Zij had die informatie niet en zij was er zich niet van bewust dat ABP van haar verwachtte dat zij die gegevens zou verstrekken. Er zijn ex-werknemers van werkgeefster geweest die zich zelf bij ABP hebben gemeld en voor die ex-werknemers heeft werkgeefster premienota’s van ABP ontvangen en betaald. Er zijn echter ook veel ex-werknemers van werkgeefster geweest die zich niet zelf bij ABP hebben gemeld. In 2017 en 2018 heeft ABP € 883.528,36 als naheffing bij werkgeefster in rekening gebracht over de periode 1 juli 2013 tot en met december 2016 nadat een administratieve koppeling kon worden gemaakt met de gegevens van het UWV en was gebleken dat er veel meer ex-werknemers waren die recht hadden op voortzetting van de pensioenopbouw. Werkgeefster heeft onder protest de facturen voldaan. Zij wil met deze procedure bereiken dat ABP dat bedrag aan haar terugbetaalt. De kantonrechter heeft alle vorderingen van werkgeefster afgewezen. In hoger beroep concludeert werkgeefster tot vernietiging van het vonnis en dat lukt omdat werkgeefster terecht een beroep doet op rechtsverwerking.
Oordeel
Het hof ziet als kern van het geschil of ABP zijn recht om de premies bij werkgeefster in rekening te brengen heeft verwerkt (en/of dat de vordering van ABP was verjaard). Ook de kantonrechter heeft dat als de kern van het geschil gezien en beoordeeld of daarvan sprake was. De kantonrechter heeft (terecht) als uitgangspunt genomen dat werkgeefster premies verschuldigd is voor ex-werknemers met het recht op een werkloosheidsuitkering. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat de statuten en reglementen van ABP van toepassing zijn en uit de bepalingen in het PR volgt dat werkgeefster die premies verschuldigd is in die situatie. Werkgeefster is die premies verschuldigd ongeacht of zij wel of niet aan informatieverplichtingen voldoet. Dat staat geheel los van elkaar. Op werkgeefster rust een verbintenis uit de overeenkomst om de premies waar het in dit geval om gaat, te betalen. Werkgeefster beroept zich op rechtsverwerking. Rechtsverwerking vormt een toepassing van het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW en art. 6:248 lid 2 BW). Het gaat er in dit geval om of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ABP zich beroept op de tussen werkgeefster en ABP hier aan de orde zijnde regel dat zij de premies op grond van de overeenkomst verschuldigd is. Uitgangspunt voor het beroep op rechtsverwerking is dat er een verbintenis tot betaling van die premies bestaat. Anders kan niet worden toegekomen aan de vraag of sprake is van rechtsverwerking. Voor het hof is uitgangspunt dat een verbintenis is ontstaan tot betaling van de pensioenpremies voor de ex-werknemers die zich niet zelf bij ABP hebben gemeld.
Rechtsverwerking
Het hof is van oordeel dat geen sprake is van enkel tijdsverloop en dat er bijzondere omstandigheden zijn geweest. Het hof is van oordeel dat werkgeefster terecht een beroep doet op rechtsverwerking. Het hof stelt voorop dat werkgeefster niet een bij ABP verplicht aangesloten werkgever is, maar een werkgever met wie ABP een overeenkomst heeft gesloten. ABP en werkgeefster zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW). De overeenkomst tussen ABP en werkgeefster wordt niet alleen beheerst door hetgeen zij zijn overeengekomen, maar heeft ook de rechtsgevolgen die naar de aard van de overeenkomst uit (de wet of de gewoonte of) de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248 lid 1 BW). Het hof oordeelt samenvattend dat door ABP zelf bij werkgeefster het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat werkgeefster de WW-gegevens niet hoefde te geven omdat ABP de informatie kreeg van het UWV en werkgeefster correcte premienota’s kreeg met betrekking tot ex-werknemers. Toen ABP zich realiseerde dat dit niet zo was, heeft zij werkgeefster niet geattendeerd op de mogelijk vergaande consequenties. Met een relatief geringe inspanning, te weten de attendering op de noodzaak om gegevens aan te leveren en/of de waarschuwing dat er nog een premienaheffing zou kunnen volgen, had ABP deze grote onverwachte financiële kostenpost voor werkgeefster kunnen voorkomen, althans haar in de gelegenheid kunnen stellen voorzieningen te treffen. ABP heeft zich niet jegens werkgeefster gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ABP zich in de gegeven omstandigheden erop beroept dat hij met werkgeefster is overeengekomen dat zij ook bij onjuiste of onvolledige informatieverstrekking de premies aan ABP verschuldigd is. Het hof verklaart voor recht dat ABP zijn recht heeft verwerkt om aan werkgeefster in 2017 en 2018 aanvullende premiefacturen op te leggen betreffende premies voor voormalig werknemers met een WW-uitkering ten aanzien van de periode van 1 juli 2013 tot en met december 2016, en dat ABP niet gerechtigd was om de in dit geding aan de orde zijnde premiefacturen op te leggen en werkgeefster niet gehouden was om die facturen aan ABP te betalen.