Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Petrus Canisius College, Katholieke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 12 juli 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:6403
Verrekening tekort aan opgebouwde verlofuren bij einde dienstverband.

Feiten

Werkneemster is op 1 september 2018 in dienst getreden bij PCC als senior docent. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Voortgezet Onderwijs van toepassing. Werkneemster is tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst gedetacheerd geweest bij de Universiteit van Amsterdam, namelijk van 15 oktober 2021 tot en met 14 augustus 2022. Werkneemster heeft op 27 juni 2022 de arbeidsovereenkomst met PCC opgezegd per 1 september 2022. PCC heeft het ontslag schriftelijk bevestigd in een brief van 6 juli 2022. In de brief is onder meer opgenomen dat PCC akkoord is met de ontslagdatum, daarbij rekening houdend met artikel 14.1.2. van de cao. In de eindafrekening in augustus 2022 heeft PCC een negatief verlofsaldo van 14,25 dagen (€ 3.169,32 bruto) in mindering gebracht, omdat werkneemster in het schooljaar 2022/2023 vijf gedeelten van weken in dienst is geweest en per saldo meer vakantie heeft genoten dan zij heeft opgebouwd. Werkneemster vordert betaling van het ingehouden negatieve saldo.

Oordeel

PCC erkent gehouden te zijn het loon over de maand augustus door te betalen gelet op het einde dienstverband per 1 september 2022, maar PCC beroept zich op verrekening van te veel genoten vakantiedagen ex artikel 7:632 BW. Anders dan werkneemster is de kantonrechter van oordeel dat niet ter beoordeling voorligt de vraag in hoeverre het niet kunnen werken voor risico van werkneemster behoort te komen (artikel 7:628 BW). Het primaire standpunt van werkneemster is dat zij betwist dat er een tekort is aan opgebouwde vakantiedagen. Onduidelijk is hoe het tekort is berekend. Voor zover er al sprake zou zijn van een tekort, stelt werkneemster zich op het standpunt dat zij te weinig vakantie heeft genoten in het schooljaar 2018/2019 en dat dit een eventueel tekort in het schooljaar 2021/2022 compenseert. PCC heeft hiertegen aangevoerd dat werkneemster in het schooljaar 2018/2019 alle van overheidswege vastgestelde schoolvakanties heeft genoten, waarmee zij 54 dagen vakantie heeft genoten (62 schooldagen minus 8 algemeen erkende feestdagen). Werkneemster heeft weliswaar verweer gevoerd tegen de wijze waarop het aantal vakantiedagen is berekend (namelijk inclusief de weekenddagen) maar heeft op zich niet betwist dat zij in alle schoolvakanties in het schooljaar 2018/2019 verlof heeft gehad. De kantonrechter stelt dat er alleen sprake zou kunnen zijn van een tekort aan genoten vakantiedagen, als zij in de maand augustus 2018 geen vakantie zou hebben genoten, hetgeen niet het geval is. Hieruit volgt dat geen sprake is van te weinig genoten verlof in het schooljaar 2018/2019. Het primaire standpunt van werkneemster kan dan ook niet slagen. Subsidiair is werkneemster van mening dat artikel 14.1.2. cao zo moet worden uitgelegd dat dit artikel een minimumaanspraak op vakantie waarborgt van de werknemer die voor een gedeelte van een schooljaar is benoemd. Dit artikel ziet volgens werkneemster niet op een terugvorderingsbevoegdheid voor het geval de leraar gedurende het schooljaar uit dienst gaat. De kantonrechter is echter van oordeel dat art 14.1.2. cao een verdeelsleutel geeft voor de werknemer die niet gedurende het hele schooljaar in dienst is van de instelling, ongeacht de vraag of deze verdeelsleutel in het voordeel of het nadeel van deze werknemer werkt. Toepassing van de formule uit artikel 14.1.2 cao resulteert in een hoeveelheid van 14,25 te veel genoten vakantiedagen, die PCC in mindering mocht brengen. Voor zover werkneemster stelt dat verrekening strijdig is met het goed werkgeverschap of de eisen van redelijkheid en billijkheid gaat dit ook niet op, omdat de schoolvakanties bij ministeriële regeling worden vastgelegd en zowel scholen als docenten daaraan gebonden zijn. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen.