Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting BPF Schoonmaak- en glanzenwassersbedrijf en Stichting RAS/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20 september 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:6049
Bij tussenvonnis zijn Stichting BPF Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (BPF) en Stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (Ras) in de gelegenheid gesteld om bewijs bij te brengen dat werkgeefster onder de verplichte deelname aan de regelingen van BPF en Ras valt. Bewijs slaagt niet.

Feiten

Op 18 december 2019 deelt StiPP (Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten) werkgeefster mee dat zij volgens haar gegevens onder de verplichtstelling van StiPP valt en onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao van Stichting Fonds Uitzendbranche. Aan werkgeefster wordt verzocht om het formulier ‘onderzoek naar verplichting tot aansluiting’ in te vullen en uiterlijk 15 februari 2020 terug te sturen. Werkgeefster heeft geen ondertekend formulier geretourneerd. Bij brief van 28 oktober 2021 delen BPF Schoonmaak en RAS aan werkgeefster mee dat zij onder verplichte deelname aan de regelingen van BPF Schoonmaak en RAS valt. Volgens de Kamer van Koophandel, gegevens van de Belastingdienst/het UWV en het internet, verricht het personeel van werkgeefster schoonmaakwerkzaamheden. Om deze reden hebben BPF Schoonmaak en RAS werkgeefster met ingang van 23 juli 2019 ingeschreven in de collectieve regeling in de Schoonmaak- en Glazenwassersbranche, en brengen BPF Schoonmaak en RAS de bijdrage aan RAS en pensioenpremies voor deelname van de werknemers van werkgeefster aan het Pensioenfonds in rekening. Bij e-mail van 7 december 2022 laat StiPP op verzoek van het Pensioenfonds weten dat werkgeefster niet onder de verplichtstelling van StiPP valt, omdat het een personeelsvennootschap is. Volgens het Pensioenfonds claimen werknemers die bij werkgeefster gewerkt hebben pensioen. Het pensioenfonds en RAS vorderen veroordeling van werkgeefster tot betaling van € 4.086,62, vermeerderd met de handelsrente en kosten. Werkgeefster betwist de verschuldigdheid van dit bedrag. Zij stelt dat zij een uitzend- en detacheringsbureau is en geen schoonmaak- en/of glazenwassersbedrijf. Werkgeefster heeft zich dan ook aangemeld bij StiPP, waar zij voor haar uitzendkrachten premie afdraagt. De ontvangen facturen van BPF Schoonmaak en RAS heeft werkgeefster teruggestuurd, met de mededeling dat zij een uitzendbureau is. Nu BPF Schoonmaak en/of RAS stelt dat werkgeefster onder de verplichtstelling van BPF Schoonmaak en RAS valt en werkgeefster dit gemotiveerd heeft weersproken, rust op BPF Schoonmaak en/of RAS ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast van deze stelling.

Oordeel

Ter voldoening aan de bewijsopdracht hebben BPF en Ras bij akte van 21 juni 2023 onder meer verwezen naar e-mails van 1 september 2021 respectievelijk 27 december 2021. Naar het oordeel van de kantonrechter slagen BPF en Ras niet in het bewijs dat werkgeefster onder de verplichtstelling tot deelneming in BPF en Ras valt. Het enkele feit dat werkgeefster nimmer een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd waaruit volgt dat zij een uitzendorganisatie is, leidt evenmin tot een ander oordeel. De stelplicht en eventuele bewijslast rustten op BPF en Ras, omdat zij zich op de rechtsgevolgen van de vermeende verplichtstelling beroepen. Daar komt bij dat BPF en Ras niet eens voldaan hebben aan hun substantiëringsplicht. In de incassodagvaarding wordt immers niet uitgelegd hoe de gefactureerde bedragen tot stand zijn gekomen. Zo is onduidelijk van welke loonsom is uitgegaan en hoeveel werknemers van werkgeefster in 2019 werkzaam zouden zijn in de schoonmaakbranche. In feite lag de vordering na dagvaarding al voor afwijzing gereed. Omdat de kantonrechter inziet dat het voor BPF en Ras van groot belang is dat zij premies kunnen innen, teneinde in staat te zijn opgebouwde pensioenen uit te keren, is hun het voordeel van de twijfel gegund en de bewijsopdracht gegeven. Deze exercitie heeft echter niets opgeleverd. De vorderingen van BPF en Ras worden afgewezen.