Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 6 december 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:9442
Werknemer vordert na einde dienstverband met wederzijds goedvinden nabetaling van loon. Vordering afgewezen. Finale kwijting overeengekomen in vaststellingsovereenkomst.

Feiten

Werknemer is op 1 augustus 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van chauffeur voor 50 uur per week. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden per 1 maart 2022 beëindigd. Vanaf 27 januari 2022 heeft werknemer niet meer gewerkt. De tussen partijen gemaakte afspraken over het einde van het dienstverband zijn opgenomen in een vaststellingsovereenkomst. Daarin is afgesproken dat werkgeefster een eindafrekening maakt en vóór 1 maart 2022 het netto-equivalent van € 8.000 bruto uitkeert, ter finale kwijting. In de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat in dit bedrag is inbegrepen het salaris tot einddatum, opgebouwd vakantiegeld alsmede compensatie voor beëindiging van het dienstverband. In de procedure is een betaaloverzicht van betalingen door werkgeefster aan werknemer overgelegd dat ziet op de periode augustus 2021 tot en met februari 2022. Werknemer vordert werkgeefster te veroordelen tot betaling van het salaris over januari 2022. Volgens werknemer is het salaris over deze maand niet betaald, omdat het loon op de loonstrook van januari 2022 volgens hem ziet op december 2021 en het salaris over januari ook niet zou zijn inbegrepen in het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde bedrag van € 8.000.

Oordeel

De kantonrechter wijst de vorderingen van werknemer af. De stelling van werknemer dat loon over een maand in de daaropvolgende maand wordt betaald strookt niet met het overgelegde betaaloverzicht. Dit zou betekenen dat werknemer over de eerste maand van het dienstverband (augustus 2021) geen loon heeft ontvangen. Uit het overzicht blijkt echter dat op 27 augustus 2021 salaris is betaald, met op 4 september 2021 een nabetaling over augustus. Uit het overzicht blijkt tevens dat vanaf het aanvangsmoment van het dienstverband elke maand een salarisbetaling heeft plaatsgevonden, hetgeen betekent dat het salaris nog in dezelfde maand is betaald. Ter zitting heeft werkgeefster nog verklaard dat gemaakte overuren zijn meegenomen in het salaris van de daaropvolgende maand, zodat de in januari 2022 gemaakte overuren in februari 2022 worden betaald. De kantonrechter oordeelt dat ook de eventueel gewerkte overuren in januari 2022 niet tot nabetaling kunnen leiden, nu partijen in de vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 8.000 bruto zijn overeengekomen ter finale kwijting. In dit bedrag is blijkens de vaststellingsovereenkomst inbegrepen het salaris tot 1 maart 2022, inclusief alle overige vorderingen die werknemer nog meent te hebben op werkgeefster. Werknemer is akkoord is gegaan met de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting. Dat de betaling van € 8.000 bruto heeft plaatsgevonden staat vast. Werknemer kan dus niet alsnog een vordering instellen. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.