Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 24 november 2023
ECLI:NL:RBGEL:2023:7232
Bewindvoering. Loonvordering. Uitbetaling vakantietoeslag en vakantiedagen na einde dienstverband. Beroep werkgeefster op verrekening is onvoldoende onderbouwd en slaagt niet.

Feiten

Werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 in dienst geweest bij werkgever in de functie van medewerker cafetaria. Zijn laatstverdiende loon op basis van een 36-urige werkweek bedroeg € 1.596,12 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van toepassing. Werknemer is vanaf 25 april 2022 tot aan het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt geweest. Werknemer en zijn bewindvoerder hebben werkgever op 10 oktober 2022 een brief gestuurd met het verzoek om de nog openstaande vakantiedagen en de vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan werknemer uit te betalen en een nieuwe eindafrekening aan hem te sturen. Werknemer vordert uitbetaling vakantietoeslag en vakantiedagen omdat hij tijdens zijn dienstverband nooit vakantiedagen heeft opgenomen en geen vakantietoeslag heeft ontvangen en dat hij, ook nadat hij daartoe meerdere keren heeft verzocht, geen vergoeding van de openstaande vakantiedagen en uitbetaling van het vakantiegeld van werkgever heeft ontvangen. Werkgever voert verweer en voert aan dat werknemer wel degelijk vakantiedagen heeft opgenomen. Bovendien heeft werknemer drugs gedeald in de horecaonderneming en geld uit de kassa gestolen.

Oordeel

De bewindvoerder wordt aangemerkt als formele procespartij. Niet in geschil is dat werkgever de aan werknemer toebehorende vakantietoeslag nog aan hem moet betalen. Zoals werknemer heeft berekend moet werkgever hem in dat kader nog een bedrag van € 1.532,28 bruto betalen (8% van het jaarloon van (12 x € 1.596,12)). Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat werknemer in ieder geval tien vakantiedagen heeft opgenomen tijdens zijn dienstverband. Volgens werkgever heeft werknemer nog meer vakantiedagen opgenomen, maar werknemer heeft dat betwist en werkgever heeft geen administratie over kunnen leggen waaruit de opgenomen vakantiedagen blijken. De kantonrechter heeft werkgever daarom veroordeeld tot het uitbetalen van tien vakantiedagen. Rekening houdende met een uurloon van € 10,23 bruto en een werkdag van acht uur resulteert dat in een bedrag van € 818,40 bruto. Voor zover het verweer van werkgever aldus moet worden begrepen dat hij een beroep doet op verrekening wijst de kantonrechter dat beroep af. Werkgever moet nog een bedrag aan werknemer betalen van € 2.350,68 bruto (€ 1.532,28 + € 818,40). Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW zoals gevorderd. Rekening houdende met 50% wettelijke verhoging resulteert dat in een bedrag van € 1.175,34 bruto. In totaal moet werkgever dan het netto-equivalent van het brutobedrag van € 3.526,02 aan werknemer betalen.