Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 oktober 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:7673
Feiten
De Stichtingen Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (hierna: RAS) en bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: Bpf) vorderen bij dagvaarding gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.568,33 aan RAS en een bedrag van € 27.391,06 aan Stichting Bpf, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom en kosten. De Stichtingen leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat gedaagde valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde Collectieve Arbeidsovereenkomst in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: de cao) en op grond van deze cao verplicht is sociale premies voor haar werknemers aan RAS te voldoen. Gedaagde valt daarnaast onder de werkingssfeer van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf waarvoor een verplichte deelneming geldt en is op grond daarvan verplicht voor haar werknemers pensioenpremies aan Stichting Bpf af te dragen. Voor deze premies zijn premiefacturen aan gedaagde gestuurd die zij deels onbetaald heeft gelaten. Gedaagde verkeert daarmee in verzuim. Gedaagde betwist niet dat zij in het verleden onder de werkingssfeer viel van de cao en het bedrijfstakpensioenfonds en dat zij op grond hiervan sociale premies en pensioenpremies aan de Stichtingen verschuldigd was. Zij stelt echter dat dit sinds 4 maart 2019 niet meer het geval is omdat alle arbeidsovereenkomsten die zij met haar werknemers had toen zijn beëindigd als gevolg van het faillissement dat op 7 maart 2019 is uitgesproken.
Oordeel
De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol van 1 november 2023 om de Stichtingen in de gelegenheid te stellen bij conclusie na tussenvonnis te reageren op de erkenning en verweren van gedaagde tegen de facturen. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat gedaagdeheeft nagelaten de juiste gegevens over de dienstverbanden met drie werknemers aan te leveren en dat zij er bij gebreke daarvan van mogen uitgaan dat deze werknemers in de betreffende tijdvakken nog bij gedaagde in dienst waren, dienen zij concreet aan te geven waarom zij aannemen dat deze werknemers in die periode in dienst waren en welke informatie gedaagde had moeten geven om de grond voor die aanname weg te nemen. Zij dienen ook aan te geven of zij concrete aanwijzingen hebben dat deze drie werknemers na 4 maart 2019 nog bij gedaagde in dienst zijn geweest en zo ja, welke concrete aanwijzingen dit zijn. De Stichtingen dienen verder te onderbouwen hoe de resterende vordering van € 16.859,40 tussen hen is verdeeld, dat wil zeggen: op welke stichting de betreffende facturen betrekking hebben. De kantonrechter verwacht van de Stichtingen een samenvattende, inzichtelijke, onderbouwing van hun vorderingen voor zover die nog betwist zijn (gelet op de erkenning door gedaagde). De kantonrechter is nu nog geconfronteerd met een groot pak papier van beide partijen en het is aan hen orde te scheppen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.