Naar boven ↑

Rechtspraak

RAS en Bpf Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf/gedaagde
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 17 april 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:2476
Eindvonnis. Gedeeltelijke afwijzing vordering tot betaling pensioenpremiefacturen wegens onvoldoende onderbouwing. De kantonrechter acht het in strijd met de eisen van een goede procesorde om eisers in dit stadium van de procedure nog in de gelegenheid te stellen te onderbouwen dat de creditfacturen terecht zijn verrekend met de andere facturen.

Feiten

De Stichtingen Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (hierna: RAS) en  bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: Bpf) vorderen bij dagvaarding gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.568,33 aan RAS en een bedrag van € 27.391,06 aan Stichting Bpf, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom en kosten. De Stichtingen hebben in hun akte hun eis verminderd van € 16.859,40 naar € 15.937,00 in hoofdsom. Zij hebben toegelicht dat daarvan € 1.113,37 een vordering van RAS betreft en € 14.823,63 een vordering van Stichting Bpf. Gedaagde heeft in haar akte verduidelijkt dat zij van de vordering van de Stichtingen een bedrag van € 8.325,62 erkent. Dit bedrag is daarom toewijsbaar. De stichtingen stellen pas in hun akte na tussenvonnis dat de facturen gecrediteerd zijn maar toch verschuldigd zijn omdat de creditfacturen met andere facturen zijn verrekend. Dit zijn hoofdzakelijk facturen die niet eerder bij de onderbouwing van de vordering zijn betrokken. De stichtingen hebben niet onderbouwd op welke grond gedaagde deze facturen verschuldigd is. Gedaagde heeft deze facturen betwist.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat de Stichtingen hun vordering tot betaling van een aantal facturen in hun akte onvoldoende hebben onderbouwd. De Stichtingen hebben een zeer summiere dagvaarding ingediend. Zij hebben hun vordering vervolgens bij brieven van 10 mei 2022 en 10 oktober 2022 met stukken nader onderbouwd. Naar aanleiding van het door gedaagde gevoerde verweer heeft de kantonrechter de Stichtingen na de mondelinge behandeling van 20 oktober 2022 in de gelegenheid gesteld hun vordering nader te onderbouwen. De Stichtingen hebben dit bij brief van 20 januari 2023 gedaan en gedaagde heeft hierop bij brief van 23 januari 2023 gereageerd. De zaak is daarna enige tijd aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Toen bleek dat deze niet tot resultaat hadden geleid, heeft de kantonrechter vervolgens op 4 oktober 2023 een instructievonnis gewezen waarbij de Stichtingen nogmaals in de gelegenheid zijn gesteld hun vordering naar aanleiding van het verweer van gedaagde nader te onderbouwen. De Stichtingen stellen zich pas nu, in hun akte na tussenvonnis, op het standpunt dat zij van gedaagde met betrekking tot drie werknemers uitdienstmeldingen hebben ontvangen en dat de betreffende facturen daarom gecrediteerd zijn. De kantonrechter acht het in strijd met de goede procesorde om de Stichtingen in dit stadium van de procedure nog in de gelegenheid te stellen nader te onderbouwen dat de creditfacturen terecht zijn verrekend met de door hen genoemde facturen. De Stichtingen hadden dit al veel eerder kunnen doen. Zij hebben hiervoor ruimschoots de gelegenheid gekregen en zijn hiermee nu te laat. Dit betekent dat de vordering tot betaling van tien facturen wordt afgewezen. De vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom is toewijsbaar voor zover het de vordering van Stichting Bpf betreft. Artikel 3.2 lid 5 onder b van het Uitvoeringsreglement van Stichting Bpf biedt hiervoor een contractuele grondslag. Dit geldt voor de vordering van RAS echter niet.