Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 18 april 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:2592
Feiten
Werkneemster is op 1 februari 2007 in dienst getreden van werkgeefster als haarstylist allround. Werkneemster heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. OP 27 mei 2021 is werkneemster arbeidsongeschikt geworden. Werkneemster voert aan dat zij op 8 juli 2023 arbeidsongeschikt is verklaard en dat per 28 juli 2023 de arbeidsduur is verminderd. Over de periode juli tot en met november 2023 heeft werkgeefster te weinig loon betaald. Er is namelijk loon betaald over 16 uur per week terwijl werkneemster 20 uur per week arbeid heeft verricht. Per december 2023 zijn de loonbetalingen gestopt. Werkneemster vordert loonbetaling over het verschil van juli tot en met november 2023 en gehele loonbetaling over december 2023 tot en met januari 2024 en vordert over die bedragen de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast vordert werkneemster wedertewerkstelling zodra de bedrijfsarts haar daartoe in staat acht. Werkgeefster voert aan dat werkneemster op 27 mei 2021 arbeidsongeschikt is geworden en nimmer volledig hersteld is. Werkgeefster betwist dat werkneemster na de periode van 104 weken ziekte haar werkzaamheden van 22,5 uur per week heeft hervat, en voert aan dat werkneemster vanwege gezondheidsklachten per 29 november 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Werkgeefster is vanwege het verstrijken van 104 weken ziekte niet meer verplicht het loon door te betalen en voert aan dat werkneemster in de periode juli tot november 2023 16,5 uur per week gewerkt heeft in het kader van haar re-integratie. De totaal twintig uur die zij wekelijks op het werk besteedde, bestonden verder uit extra onbetaalde pauzes in het kader van het opbouwen van uren. De passende werkzaamheden in die periode zijn wat werkgeefster betreft niet de nieuw bedongen arbeid geworden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft haar stelling dat zij per 8 juli 2023 weer arbeidsgeschikt was niet voldoende onderbouwd. Op 28 juli 2023 heeft de bedrijfsarts na een consult vermeld dat de eerste verzuimdag van werkneemster 27 mei 2021 betrof. Daarnaast is op de zitting gebleken dat werkneemster in de zomer van 2023 nog uren aan het opbouwen was en nog niet geschikt was voor de bedongen arbeid. De stelling dat in die zomer een arbeidsduur van 20 uur was overeengekomen is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheden van vermelding op de loonstrook van 16,5 uur en het feit dat werkneemster pas in november een opmerking heeft gemaakt over de toch forse urenvermindering wijzen er niet op dat een nieuwe arbeidsduur is overeengekomen. Omdat is gebleken dat werkneemster nog uren aan het opbouwen was in het kader van haar re-integratie is van nieuw bedongen arbeid geen sprake. De loonvordering vanaf november 2023 is niet toewijsbaar nu is vast komen te staan dat werkneemster op dat moment al 104 weken arbeidsongeschikt was en werkgeefster niet meer verplicht was loon door te betalen indien werkneemster wegens ziekte niet kon werken. Omdat werkneemster niet voldoende hersteld is en het nog onbekend is wanneer zij weer re-integratiewerkzaamheden kan verrichten is onvoldoende gebleken dat een onmiddellijke voorziening tot wedertewerkstelling wanneer de bedrijfsarts dat gewenst acht toewijsbaar is. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.