Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 7 november 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:11138
Feiten
Werknemer is op 26 juli 2021 in dienst getreden bij werkgever in de functie van chauffeur. Op 27 juni 2023 is werkgever naar de woning van werknemer gegaan en heeft de voordeur ingetrapt en heeft vervolgens de slaapkamer van werknemer betreden. Op 10 juli 2023 heeft werkgever werknemer een bericht gestuurd waarin hij aangeeft dat hij de woning van werknemer was binnengetreden omdat hij zich zorgde maken nu het niet lukte om werknemer te bereiken, en heeft daarbij toegezegd de schade te vergoeden. Werknemer is in de twee weken nadien zonder het geven van een reden niet meer op werk verschenen. Werkgever heeft vervolgens de beëindiging van het dienstverband van werknemer per 28 juni 2023 bekrachtigd. Werknemer heeft vervolgens aanspraak gemaakt op een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding, een billijke vergoeding en loon tot 28 juni 2023. Aan de verzoeken legt werknemer ten grondslag dat hij per 28 juni 2023 op staande voet ontslagen is maar dat voor dit ontslag geen dringende reden bestaat. Werkgever heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend in verband met een lening die werknemer aan werkgever verschuldigd is, van € 13.000.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de ontslagbrief van 22 juli 2023 met nagenoeg dezelfde inhoud als het bericht van 10 juli 2023 heeft werkgever omstandigheden aangevoerd, zoals het na 28 juni 2023 niet meer op werk verschijnen, die zich na 28 juni 2023 hebben voorgedaan. Die omstandigheden rechtvaardigen dus geen ontslag op staande voet per 28 juni 2023. Ook als het ontslag per 10 juli 2023 is gegeven is geen sprake van een dringende reden nu het begrijpelijk is dat werknemer na het incident van 27 juni 2023 zijn werkzaamheden niet direct heeft hervat. Het had op de weg van werkgever gelegen om over het incident in gesprek te gaan en dat uit te praten en werknemer pas daarna weer op te roepen. Als werknemer na een dergelijk gesprek niet was verschenen, had werkgever kunnen waarschuwen dat ontslag zou kunnen volgen. Daarnaast blijkt het juist werknemer te zijn geweest die tevergeefs heeft geprobeerd werkgever diverse malen te bereiken na het incident. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen waarbij wordt uitgegaan van een opzegtermijn van één maand. Partijen zijn het niet eens over de omvang van het maandsalaris omdat het aantal gewerkte uren van werknemer nogal schommelde. De kantonrechter overweegt dat de berekening van werkgever, waarbij het gemiddelde over een jaar wordt genomen, het meest representatief is. Wel worden extra uren en toeslagen meegenomen bij de berekening van het gemiddelde, niet enkel het basissalaris. De transitievergoeding wordt eveneens toegewezen omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Ook het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt meegenomen wat de resterende inkomensschade van werknemer is door het ontslag op staande voet, waarbij rekening wordt gehouden met de reeds toegekende gefixeerde schadevergoeding. Eveneens speelt mee dat met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgever ervoor kiest om op deze wijze een ongeldig ontslag op staande voet te geven en dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door het nachtelijke bezoek aan werknemer. De toegewezen billijke vergoeding bedraagt € 7.500. Werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten. Voor wat het zelfstandig tegenverzoek betreft, wordt werknemer veroordeeld tot het terugbetalen van een lening van ongeveer € 13.000. Werknemer heeft ruime mogelijkheden gehad om te onderbouwen dat de lening, zoals hij stelt, van kleinere omvang was, maar heeft dat niet gedaan.