Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 april 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:2477
Eindbeschikking. Vaststelling na te betalen achterstallig salaris en ziekengeld en veroordeling van de werkgever tot betaling van dit bedrag.

Feiten

Werkneemster heeft in haar akte van 3 mei 2023 een aangepaste berekening op basis van een gemiddeld arbeidsvolume van 30,9 uur per week ingediend. Werkgeefster heeft in haar akte van 31 mei 2023 bezwaren geuit tegen de berekening van werkneemster en een eigen berekening ingebracht. De kantonrechter heeft werkneemster in de beschikking van 30 juni 2023 in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Dit heeft zij in haar akte van 23 augustus 2023 gedaan, waarbij zij haar berekening op enkele punten heeft aangepast. De kantonrechter heeft in de tussenbeschikking van 14 november 2023 een nieuwe mondelinge behandeling bepaald. Werkgeefster is daarbij opgedragen om op eigen kosten een berekening op te laten stellen door een deskundige op het gebied van loonberekeningen op grond van de cao Gehandicaptenzorg van het verschuldigde salaris van 2019 tot 1 juni 2023 en deze berekening gebaseerd op een zestal uitgangspunten voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding te brengen. Partijen blijven het over en weer oneens over de inhoud van de berekeningen.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster met het overleggen van de berekeningen van een deskundige aan de opdracht heeft voldaan. Met betrekking tot de klacht van werkneemster over het gebrek aan inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de runoverzichten en loonstaten die aan de berekeningen ten grondslag liggen, wordt opgemerkt dat een salarisberekening in een situatie als deze niet exact kan worden vastgesteld en afhankelijk is van de gekozen uitgangspunten en de daarin gemaakte keuzes. Het is inherent aan dit soort berekeningen dat de genoemde bedragen niet altijd even goed controleerbaar zijn. Dit geldt zeker in dit geval, waarin het om een salarisberekening over meerdere jaren gaat. De kantonrechter gaat er gelet op de deskundigheid van de deskundige echter van uit dat haar berekeningen voldoende betrouwbaar zijn om bij de beoordeling als uitgangspunt te kunnen dienen en ziet in hetgeen werkneemster heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Werkneemster heeft de stelling van de deskundige dat het vakantiegeld over 2021 en de wettelijke verhoging over het nabetaalde salaris zijn uitbetaald, niet gemotiveerd weersproken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat dit inderdaad is gebeurd. De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat het door werkgeefster na te betalen achterstallig salaris en ziekengeld over de periode van 1 januari 2019 tot 1 juni 2023 overeenkomstig de berekening van [onderneming] € 24.890,78 bruto bedraagt. Verder wordt op grond van de berekening van de deskundige aangenomen dat werkneemster nog aanspraak heeft op 40,91 PBL-uren en dat werkgeefster in dat verband nog een bedrag van € 1.184,46 bruto inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering aan haar moet betalen. De kantonrechter neemt op grond van de berekening verder als vaststaand aan dat de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige ziekengeld en salaris € 12.445,39 bruto bedraagt. De door werkneemster verzochte vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom is ook toewijsbaar.