Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 mei 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:3151
Feiten
Werknemer is vanaf 23 januari 2019 tot 1 februari 2020 in dienst geweest bij [bedrijf 1] B.V. als onderwijsassistent. Met ingang van 1 februari 2020 tot 1 februari 2022 is hij in dienst geweest van [handelsnaam 2], een handelsnaam van [bedrijf 1] B.V. De heer [B] is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. Werknemer is met ingang van 1 februari 2022 tot 1 juni 2023 in dienst geweest bij [handelsnaam 1] (hierna werkgeefster) als docent kapper voor 36 uur per week, voor een salaris van € 25,42 bruto per uur, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werkgeefster, in casu de eigenaresse, is een zus van [B]. Werknemer heeft zich op 15 februari 2023 ziek gemeld. Werknemer verschijnt niet op het gesprek met de bedrijfsarts. Bij brief van 7 mei 2023 heeft werknemer zijn ontslag ingediend bij werkgeefster. Hij heeft werkgeefster op 14 mei 2023 laten weten dat hij zijn ontslag indient per 1 juni 2023. Werkgeefster heeft op 14 mei 2023 per e-mail het ontslag per 1 juni 2023 bevestigd. Werkgeefster heeft werknemer gevraagd of hij bij de bedrijfsarts is geweest of dat hij weer beter is. Voor het geval hij weer beter zou zijn, hoefde werknemer van werkgeefster de rest van de maand mei niet meer te werken. Werkgeefster heeft werknemer bij brief van 30 mei 2023 gesommeerd de volgende dag contact op te nemen met de bedrijfsarts en heeft meegedeeld dat het salaris met terugwerkende kracht vanaf 10 mei 2023 zou worden opgeschort omdat hij niet is verschenen bij de bedrijfsarts. Werknemer vordert onder meer te verklaren voor recht (a) dat werkgeefster zonder recht of titel € 5.929,20 in de eindafrekening heeft ingehouden en dat zij de bedragen van € 3.557,52 voor te betalen verlofuren en € 3.489,64 voor te betalen vakantiegeld in de eindafrekening niet heeft onderbouwd en (b) dat het brutojaarsalaris van werknemer over 2022 € 50.580,46 moet zijn en werkgeefster te veroordelen tot het verstrekken van een aangepaste jaaropgave over 2022.
Oordeel
Geen aanspraak op salaris of vakantiegeld over januari 2022
Werknemer heeft per 1 februari 2022 uitdrukkelijk een arbeidsovereenkomst met het bedrijf van werkgeefster gesloten, terwijl hij eerst een arbeidsovereenkomst met het bedrijf van haar broer, [bedrijf 1] B.V., had. Dit zijn goed van elkaar te onderscheiden overeenkomsten. De kantonrechter oordeelt dat werknemer voor de periode tot 1 februari 2022 geen vordering uit een arbeidsovereenkomst toekomt op werkgeefster. In het midden kan dan ook blijven of hij mogelijk wel degelijk vakantiegeld over januari 2022 van het bedrijf van [B] heeft ontvangen, zoals [A] op zitting heeft verklaard.
Aanspraak op vakantiegeld 2022 en 2023, verklaring voor recht m.b.t. brutojaarsalaris over 2022, aangepaste jaaropgave 2022, uitbetaling vergoeding vakantiedagen
Werknemer stelt dat werkgeefster de vakantietoeslag over 2022 en 2023 niet goed heeft berekend. De kantonrechter is van oordeel dat de in mei 2022 uit te betalen vakantietoeslag moet worden berekend over februari 2022 tot en met mei 2022, en dat werknemer daarom nog recht heeft op de te weinig betaalde vakantietoeslag van € 299,25 bruto. De gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen voor een brutojaarloon van € 45.206,93. Werkgeefster hoeft geen aangepaste jaaropgave 2022 te verstrekken. Werknemer heeft recht op betaling van de vakantietoeslag tot en met mei 2023. Werknemer heeft geen recht op uitbetaling van een vergoeding voor vakantiedagen. De gevorderde verklaring voor recht tot betaling van verlofuren is niet onderbouwd en is daarom niet toewijsbaar. De gevorderde verklaring voor recht dat er zonder recht of titel € 5.929,20 op de eindafrekening is ingehouden wordt toegewezen.