Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 17 mei 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:3256
Feiten
Werknemer komt op tegen het door werkgeefster gegeven ontslag op staande voet. Hij verzoekt voor recht te verklaren dat er geen dringende reden voor werkgeefster was om de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2024 op te zeggen. Hij voert aan dat werkgeefster hem ten onrechte heeft beschuldigd van inbraak in het bedrijfsgebouw van werkgeefster. Hij kwam de avond voor zijn ontslag op staande voet na werktijd enkel zijn toolbox ophalen. Dat was heel gebruikelijk binnen werkgeefster, zodat geen sprake was van een inbraak. Werknemer verzoekt onder meer een verklaring voor recht en betaling van achterstallig loon. Werkgeefster verschijnt niet in de procedure.
Oordeel
Werkgeefster heeft de stellingen van werknemer in rechte niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid van die stellingen uit moet gaan. Het leidt ertoe dat niet is gebleken van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. Werkgeefster is dan ook ten onrechte overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. Niet is weersproken dat werknemer nog recht heeft op een bedrag van € 3.680,14 bruto aan loon over januari 2024 en een bedrag van € 2.189,80 bruto aan vakantietoeslag over de periode 1 juni 2023 tot en met 31 januari 2024. Deze bedragen worden toegewezen. De vergoedingen wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. De billijke vergoeding wordt gematigd tot nihil. De arbeidsovereenkomst tussen partijen was, als geen ontslag op staande voet was gegeven, één maand later geëindigd dan de datum waarop het ontslag op staande voet is gegeven. In dat geval had werknemer geen recht gehad op verder loon en een transitievergoeding. Daarbij heeft werknemer ter mondelinge behandeling aangegeven per medio maart 2024 al ander werk te hebben.