Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 2 mei 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1563
Feiten
Twee werknemers (elkaars echtgenoten) zijn in dienst van werkgeefster in de functie van Quality Manager respectievelijk productieleidster. Op 31 maart 2023 zijn werknemers op staande voet ontslagen. Volgens werkgeefster heeft op enig moment, tijdens de productie van een batch parfum voor een belangrijke klant, een lekkage plaatsgevonden aan de afvulinstallatie. Werknemers zouden toen hebben besloten om met een (verontreinigde) waterstofzuiger de vloeistof op te zuigen van de vloer, te filteren en hierna af te vullen voor de productie van de parfum. Dit hebben zij volgens werkgeefster doelbewust verzwegen voor het management. Uit microbiologisch onderzoek is vervolgens gebleken dat de betreffende producten sterk verontreinigd zijn, waarmee onveilige producten op de markt zijn gebracht, hetgeen zal leiden tot een product-recall van deze artikelen. Hiermee hebben werknemers extreme schade aan de onderneming van werkgeefster gebracht, aldus steeds werkgeefster. Werknemers hebben in eerste aanleg onder meer verzocht de ontslagen op staande voet te vernietigen. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemers afgewezen en voor recht verklaard dat de door werkgeefster gegeven ontslagen op staande voet rechtsgeldig zijn gegeven. Werknemers hebben hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Onverwijldheid
Het hof is allereerst van oordeel dat de ontslagen onverwijld zijn gegeven. Het microbiologisch onderzoek is na een melding van het incident op 14 maart 2023 met voldoende voortvarendheid verricht en op de dag van de ontvangen onderzoeksresultaten (31 maart 2023), zijn werknemers gehoord en is het ontslag aangezegd. Dat betekent dat aan de onverwijldheidseis is voldaan.
Dringende reden
Werknemers betwisten concreet een deel van het feitencomplex dat werkgeefster als dringende reden aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Zij betwisten niet dat als gevolg van lekkages vloeistof is gelekt op de vloer en dat zij met een waterstofzuiger die vloeistof hebben opgezogen, maar zij betwisten wel dat zij de betreffende vloeistof hebben afgevuld voor de productie van een batch parfum. Het hof overweegt dat, gelet op de ernst van de lekkage, de leiding van werkgeefster ook op de hoogte moet zijn geweest dat als gevolg van die lekkage ‘de rotzooi’ moest worden opgeruimd (in dit geval opgezogen). Die feiten kunnen dan ook geen dringende reden vormen voor een ontslag op staande voet. Dat is anders ten aanzien van het verwijt dat de opgezogen vloeistof is afgevuld voor de productie; dit kan een dringende reden voor ontslag op staande voet zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting door werknemers staat voor het hof nog onvoldoende vast dat sprake is van het afvullen van de gelekte vloeistof voor de productie. Het hof stelt werkgeefster in de gelegenheid om bewijs te leveren van deze stelling. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.