Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 18 juni 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:4622
Feiten
Gedaagden hebben bij eiseres b.v. (hierna: werkgeefster) gewerkt en zijn in januari 2024 met hun eigen bedrijf begonnen. Zij leveren vis en aanverwante bijproducten aan onder meer Aziatische restaurants en zijn in dezelfde plaats gevestigd. Gedaagden hebben zakelijk contact met diverse klanten en leveranciers van werkgeefster gehad en hebben ook producten aan hen geleverd. Werkgeefster is van mening dat gedaagden hun geheimhoudingsbeding hebben geschonden en onrechtmatig met haar concurreren. Werkgeefster verzoekt gedaagden te veroordelen om het geheimhoudingsbeding uit hun arbeidsovereenkomsten na te komen en aan hen een dwangsom van € 25.000 op te leggen per overtreding, een verbod op te leggen op het benaderen van relaties op straffe van een dwangsom en afgifte van diverse omzet- en klantgegevens. Gedaagden betwisten dat zij hun geheimhoudingsbeding schenden en dat zij werkgeefster onrechtmatig beconcurreren, en vragen om de vorderingen af te wijzen.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van spoedeisend belang omdat werkgeefster zich geconfronteerd ziet met concurrentie van gedaagden en vreest voor verdere aantasting van haar bedrijfsdebiet. Ten aanzien van het geheimhoudingsbeding voert werkgeefster aan dat gedaagden hun privételefoons tijdens hun werkzaamheden voor werkgeefster gebruikten om klanten en leveranciers te contacten. Volgens werkgeefster zijn de contactgegevens van die leveranciers en klanten gebruikt voor de eigen onderneming van gedaagden. Dit is in strijd met het geheimhoudingsbeding, aldus werkgeefster.
De vordering wordt afgewezen: dat gedaagden zich moeten houden aan het geheimhoudingsbeding volgt al uit de arbeidsovereenkomsten van gedaagden. Daarnaast hebben zij tijdens de zitting aangegeven het beding te respecteren. Voor toewijzing van een hogere dwangsom bij overtreding van de geheimhoudingsbedingen ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. In het beding staat opgenomen dat het gedaagden verboden is mededelingen over belangrijke zaken aan derden te doen. Er is geen sprake van een verkapt relatiebeding, waardoor het gedaagden vrij staat om klanten en leveranciers te benaderen. Dat contactgegevens van klanten en leveranciers als belangrijke gegevens kwalificeren die niet gebruikt mogen worden, volgt de voorzieningenrechter niet. Ten aanzien van onrechtmatig concurreren geldt het volgende. Tussen partijen is geen concurrentie- of relatiebeding overeengekomen. Gedaagden zijn vrij om te concurreren, tenzij sprake is van onrechtmatige concurrentie. Werkgeefster stelt dat gedaagden haar leveranciers en klanten stelselmatig hebben benaderd. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Dat gedaagden het hele klantenbestand in hun telefoons hebben staan en afbellen is betwist door gedaagden. Van de honderd klanten die gedaagden hebben, komen er tien overeen met de klanten van werkgeefster. Deels hebben zij die klanten benaderd, deels zijn die klanten zelf gekomen. Dat het om veel klanten zou gaan is niet aannemelijk gemaakt. Werkgeefster heeft haar beweerderlijke omzetverlies van 10-15% niet onderbouwd. Ook de verklaringen van klanten die werkgeefster heeft overgelegd zijn onvoldoende om onrechtmatige concurrentie aan te tonen. Het gaat slechts om enkele verklaringen. Het door werkgeefster geschetste beeld is onvoldoende om vooruitlopend op een bodemprocedure tot het oordeel te komen dat gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.