Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 1 augustus 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:5092
Feiten
Sinds 13 november 2017 is werknemer als assistent-makelaar in dienst bij werkgeefster. Op 23 april 2021 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 15 februari 2023 hebben werknemer en de bedrijfsarts besproken dat er sprake is van (gedeeltelijk) herstel van klachten. Vanaf 29 maart 2023 heeft werknemer zich volledig hersteld gemeld bij werkgeefster. Op 4 april 2023 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om de eigen werkzaamheden in stappen op te bouwen tot 75%. Op 21 december 2023 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er geen sprake meer is van een urenbeperking en heeft de bedrijfsarts geadviseerd om mediation in te schakelen en de re-integratie conform het advies van april 2023 te starten. Op 4 maart 2024 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat werknemer arbeidsgeschikt is. Volgens werknemer weigert werkgeefster echter tot heden hem toe te laten tot zijn werkzaamheden. Werkgeefster voert aan dat dit gelet op haar bedrijfsvoering niet mogelijk is, omdat werknemer niet meer onder de persoon onder wie werknemer normaliter zijn werkzaamheden verrichtte kan werken. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werknemer dat de kantonrechter werkgeefster veroordeelt hem binnen 24 uur na de datum van het vonnis toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom en tot betaling van het (volledige) salaris vanaf 1 mei 2024. Ook vordert werknemer een achterstallig salaris van € 77.288,10 bruto voor de periode 4 april 2023 tot en met april 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, op grond van artikel 7:628 BW.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:658a lid 2 BW heeft werkgeefster de verplichting, ook na afloop van twee jaar ziekte, maatregelen te treffen, opdat de werknemer, die in verband met arbeidsongeschiktheid verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of passende arbeid te verrichten. Werknemer is op dit moment arbeidsgeschikt voor zijn eigen werkzaamheden. De bedrijfsarts heeft meerdere malen aangegeven dat werknemer in staat is zijn werkzaamheden stapsgewijs op te bouwen. Werkgeefster heeft dit nagelaten. Haar stelling dat dit vanwege de bedrijfsvoering onmogelijk is, is onvoldoende onderbouwd. Bovendien ziet de kantonrechter niet in waarom werknemer niet onder een andere makelaar zijn werkzaamheden zou kunnen uitvoeren. De wedertewerkstelling wordt daarom toegewezen, met een termijn van zeven werkdagen. Ten aanzien van de loonvorderingen (in kort geding) van werknemer oordeelt de kantonrechter dat terughoudendheid op zijn plaats is. De loonvordering wordt voor de periode van 4 april 2023 tot en met 21 december 2023 afgewezen, omdat door de over en weer betwiste standpunten van partijen in kort geding niet kan worden vastgesteld op hoeveel loon werknemer recht heeft. De loonvordering wordt over de periode 21 december 2023 tot en met april 2024 wel voor 100% toegewezen, nu de bedrijfsarts op 21 december 2023 heeft aangegeven dat werknemer geen urenbeperking meer heeft. Nu het niet werken van werknemer niet is gelegen in arbeidsongeschiktheid, maar in het gegeven dat werkgeefster hem niet in de gelegenheid stelt zijn werkzaamheden te verrichten, komt het niet werken voor rekening en risico van werkgeefster. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot 10%. Ook wordt werkgeefster veroordeeld om vanaf 1 mei 2024 werknemer zijn (volledige) salaris te voldoen.