Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 4 juni 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:838
Feiten
United Fashion Benelux V.O.F. (hierna: UFB) verkoopt kleding onder de naam Style Italy met vestigingen in Den Haag, Amsterdam en Beverwijk. Werkneemster is op 5 september 2018 bij UFB in dienst getreden. Vanaf 1 april 2020 heeft zij feitelijk geen werkzaamheden meer verricht voor UFB. UFB heeft aangifte van verduistering gedaan tegen werkneemster, gepleegd in de periode van november 2018 tot en met maart 2020. In deze zaak vordert UFB veroordeling van werkneemster tot betaling aan UFB van € 33.856,57. Aan deze vordering legt UFB ten grondslag dat werkneemster onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door verduistering te plegen. Volgens UFB bleek uit de verkooplijsten en -bonnen dat werkneemster structureel bij contante betalingen enorme kortingen bij de verkopen had ingevoerd, bijvoorbeeld door een broek met een verkoopwaarde van € 70 voor € 10 te verkopen. Dit was in strijd met het verkoopbeleid. Als dit soort kortingen inderdaad aan klanten gegeven zouden worden, zou heel Den Haag naar de winkel zijn gekomen, aldus steeds UFB. Dit is niet gebeurd en daaruit leidt UFB af dat werkneemster de kleding feitelijk voor de normale prijs verkocht en de korting in haar eigen zak stak. In eerste aanleg is de vordering van UFB afgewezen, omdat de conclusie van UFB naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd is. Tegen deze beslissing komt UFB op in hoger beroep.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Om de door UFB gemaakte verwijten tegenover het verweer van werkneemster (die het plegen van fraude gemotiveerd betwist) behoorlijk te kunnen beoordelen, acht het hof het aangewezen dat het door een deskundige wordt voorgelicht alvorens verder te kunnen oordelen in deze zaak. Het hof denkt daarbij aan de benoeming van een forensisch accountant die aan de hand van de administratie van UFB de door UFB aangeduide transacties onderzoekt. Het zal de deskundige daarbij vrijstaan een derde in te schakelen als de deskundige een deel van het onderzoek niet zelf zal kunnen verrichten, bijvoorbeeld als het nodig zou blijken het kassysteem aan een technisch onderzoek te onderwerpen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de voorlopig geformuleerde vraagstelling. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.