Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20 september 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:3030
Feiten
Werkgeefster drijft een onderneming die is gespecialiseerd in internationale verhuisactiviteiten en de ondersteuning van expats in brede zin. Zij richt zich in het bijzonder op activiteiten in Centraal- en Oost-Europa. Zij heeft een vestiging in Moskou (Rusland). Werknemer is op 1 november 2012 bij werkgeefster in dienst getreden met als standplaats Moskou. Werknemer was in zijn functie onder meer verantwoordelijk voor de inklaringsprocedure voor verhuizingen ten overstaan van de Russische douaneautoriteiten, waaronder de afdracht van invoerrechten. Op 13 juli 2016 is werknemer door werkgeefster op staande voet ontslagen wegens onregelmatigheden bij onder meer de afdracht van invoerrechten in verband met verhuizingen naar Rusland. Op vordering van werkgeefster heeft de kantonrechter in eerste aanleg voor recht verklaard dat werknemer onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door werkgeefster geleden schade. Werknemer is veroordeeld tot voldoening van een schadevergoeding ter hoogte van € 132.268 op grond van artikel 7:661 lid 1 BW. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werkgeefster vordert in dit geding schadevergoeding op de grond dat werknemer bij gelegenheid van diverse transacties die werkgeefster ten behoeve van klanten heeft uitgevoerd, geldbedragen heeft onttrokken aan de kas. Om deze onttrekkingen te verheimelijken, heeft werknemer volgens werkgeefster de administratie gemanipuleerd. Werkgeefster baseert zich hierbij op een lijst van 57 transacties. Het door werkgeefster berekende schadebedrag (€ 132.268) is gebaseerd op twee pijlers: de vergelijking tussen enerzijds de bedragen die werkgeefster volgens de door de Russische douane opgestelde TPO-formulieren aan de douane heeft betaald (de linkerkolom van deze lijst) en anderzijds de bedragen die volgens de administratie van werkgeefster aan de douane zijn betaald (de rechterkolom van deze lijst). De laatstbedoelde bedragen zijn bij deze 57 transacties steeds hoger. De wijze waarop werknemer deze verschillen volgens werkgeefster heeft verheimelijkt, komt erop neer dat werknemer medewerkers vanaf zeker moment heeft geïnstrueerd om niet meer de TPO-formulieren in de administratie op te nemen en door werknemer telkens opgegeven bedragen te verwerken in de administratie. Aldus, zo begrijpt het hof het betoog van werkgeefster, kon werknemer het verschil in zijn zak steken terwijl de administratie sluitend was. Werkgeefster heeft hierbij gesteld dat werknemer als enige de sleutel van de kas had. Werknemer heeft deze door werkgeefster gestelde praktijk betwist. Hij wijst er in het bijzonder op dat ook zijn leidinggevende toegang had tot de kas en het kasoverzicht. Ook wijst hij erop dat de gegevens werden ingevoerd door anderen en dat de financieel directeur inzicht had in het kasboek. Hij betwist voorts dat hij de bedragen doorgaf aan de coördinatoren om in te voeren. Ter zitting heeft de leidinggevende erkend dat de sleutel van de kas op kantoor achterbleef als werknemer niet op kantoor was en dat ook anderen daar bij konden. Het hof overweegt voorts dat werkgeefster op verschillende punten in haar stellingen niet consistent is geweest. Het hof acht op grond van het voorgaande nader onderzoek noodzakelijk en denkt daarbij aan de benoeming van een forensisch accountant die de eerder aangeduide transacties onderzoekt. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een akte door partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.