Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam, 12 juni 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8050
Vereniging van gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep/Delta Lloyd c.s.
De gepensioneerden en gewezen deelnemers waarvan de Vereniging de pensioenbelangen behartigt, zijn in dienst geweest bij Delta Lloyd. Delta Lloyd heeft haar pensioenregeling ondergebracht bij het Pensioenfonds. De pensioenregeling is steeds onderwerp van gesprek tijdens de ondernemings-cao-onderhandelingen welke cao door incorporatie van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten. Daarnaast geldt een personeelshandboek waarin het pensioenreglement en de statuten van het Pensioenfonds zijn opgenomen. Dit personeelshandboek bevat tevens een eenzijdig wijzigingsbeding. In de arbeidsovereenkomst is dit personeelshandboek van toepassing verklaard en is tevens gewezen op het eenzijdig wijzigingsbeding dat daarin is opgenomen. In artikel 10 van de statuten van het Pensioenfonds is bepaald dat het pensioenreglement niet in strijd mag zijn met de statuten van het Pensioenfonds. Bij brief van 27 november 2006 zijn de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden door het Pensioenfonds geïnformeerd dat de onvoorwaardelijke indexering – althans de regeling zoals die van toepassing was op gewezen deelnemers en gepensioneerden in de pensioenregeling die gold vóór 1 augustus 2000 – met ingang van 1 januari 2011 zou worden gewijzigd in een voorwaardelijke indexering (in verband met de economische crisis en de opgelegde verplichting reserves aan te leggen voor onvoorwaardelijke aanspraken). De Verenging vordert een verklaring voor recht dat pensioenreglement 2000, 2001, 2002 en 2003 een recht op onvoorwaardelijke indexatie van ingegane pensioenen bevatten en dat zij die na 1 augustus 2000 gewezen deelnemer en/of gepensioneerde van het Pensioenfonds zijn geworden ook na 1 januari 1999 recht hebben op een onvoorwaardelijke indexatie van hun ingegane pensioenen. Zij vorderen voorts dat het Harmonisatiebesluit (omzetting onvoorwaardelijke in voorwaardelijke aanspraken) ongedaan wordt gemaakt. De Vereniging c.s. hebben hun vorderingen hierop gegrond, kort gezegd, dat vóór 1 januari 1999 een onvoorwaardelijke indexeringsregeling gold, dat de wijziging van het pensioenreglement in het jaar 2000 niet tot gevolg heeft gehad dat voor de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden die op of na 1 augustus 2000 in dienst waren bij Delta Lloyd een voorwaardelijke indexeringsregeling is gaan gelden, dat het Harmonisatiebesluit van 2006 er evenmin toe heeft geleid dat de indexatiebepalingen – die een onvoorwaardelijk karakter hadden – voor gewezen deelnemers en gepensioneerden een voorwaardelijk karakter hebben gekregen en dat het Delta Lloyd en het Pensioenfonds in dat kader niet vrijstond de wijze van financiering van de indexeringsregeling in die zin te wijzigen dat niet langer Delta Lloyd de kosten van indexering betaalde maar het Pensioenfonds dit uit eigen middelen diende te doen. De kantonrechter heeft de vorderingen grotendeels afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de litigieuze tekstpassages geen onvoorwaardelijke indexatie volgt. Voor zover de stellingen van de Vereniging c.s. in dit verband ten slotte zo zouden moeten worden begrepen dat zowel de informatiebrief van 3 april 2001 als de daarbij gevoegde populaire versie van het reglement niet duidelijk (genoeg) waren omtrent de wijziging van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie en dat de belanghebbenden daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen hebben mogen ontlenen dat het systeem van onvoorwaardelijke indexatie ook met het pensioenreglement 2000 werd voortgezet, kan het betoog van de Vereniging c.s. evenmin slagen. Vaststaat dat eerst als gevolg van de beurscrisis in 2002/2003 de toezichthouder een financieel toetsingskader heeft opgesteld en in dat kader ook een beleid is ontwikkeld ten aanzien van indexatieverplichtingen, onder meer inhoudende dat pensioenfondsen zich beter bewust moesten worden van wat deze op het gebied van indexatie hadden gecommuniceerd en, afhankelijk van de inhoud van die communicatie, de financiering daarvan correct dienden te regelen en dat in het kader van deze operatie (die in 2003-2004 plaatsvond) voor het eerst op brede schaal is gesproken in termen van ‘voorwaardelijke indexatie’ en ‘onvoorwaardelijke indexatie’. In het licht hiervan kan naar het oordeel van het hof niet zonder de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden worden aangenomen dat de Vereniging c.s. als gevolg van de (gebrekkige) wijze van communicatie gerechtvaardigd erop hebben mogen vertrouwen dat het systeem van onvoorwaardelijke indexatie ook met het pensioenreglement 2000 werd voortgezet.
De Vereniging c.s. hebben voorts betoogd – kort gezegd – dat de betrokken werknemers niet langer in dienst zijn bij Delta Lloyd en als gevolg daarvan niet langer pensioen genieten op basis van de pensioenovereenkomst tussen hen en Delta Lloyd, waardoor tussen hen en Delta Lloyd een uitgewerkte rechtsverhouding is ontstaan die in beginsel niet langer – en zeker niet eenzijdig – kan worden gewijzigd. Ook dit betoog moet worden verworpen, omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat bij het einde van de arbeidsovereenkomst iedere contractuele relatie die de werknemer is aangegaan ten tijde en als gevolg van zijn dienstverband – in het bijzonder ook die welke hij aan een pensioenovereenkomst althans aan het verkrijgen van pensioenaanspraken is gaan ontlenen – tot een einde komt. Een pensioenovereenkomst is echter niet ‘uitgewerkt’ bij het einde van de arbeidsovereenkomst maar eerst op het moment dat geen pensioenbetalingen meer verschuldigd zijn, waarvan voor de beoordeling van het onderhavige geval niet dient te worden uitgegaan. Voor zover de Vereniging betoogt dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 7:613 BW, overweegt het hof allereerst dat artikel 7:613 BW wat dit onderwerp betreft toepassing mist, omdat deze bepaling niet ziet op besluiten van een pensioenfonds, waar het hier om gaat, maar op besluiten van een werkgever, en de desbetreffende bevoegdheid niet enkel kan worden beschouwd – zoals de Vereniging c.s. hebben aangevoerd – als een door de werkgever aan het Pensioenfonds overgedragen bevoegdheid die het fonds niet meer of andere rechten verschaft dan de werkgever had. Dit laat evenwel onverlet dat het Pensioenfonds onder omstandigheden misbruik van zijn in artikel 22 van de statuten vervatte bevoegdheid tot wijziging kan maken, hetgeen met name het geval zal kunnen zijn indien die wijziging tot vermindering van over achterliggende dienstjaren door reeds betaalde premies opgebouwde pensioenaanspraken leidt of de wijziging niet ertoe strekt door middel van een vermindering van (andere) aanspraken een verstoord evenwicht te herstellen tussen enerzijds bezittingen en inkomsten van het Pensioenfonds en anderzijds diens pensioenverplichtingen, waarbij de vermindering van aanspraken voor alle daarbij betrokkenen zo veel mogelijk naar evenredigheid moet plaatsvinden. Naar het oordeel van het hof is van misbruik geen sprake. Volgt bekrachtiging vonnis kantonrechter.