Naar boven ↑

Rechtspraak

GOM Schoonhouden B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf

Een wettelijk verplicht bedrijfspensioen is een arbeidsvoorwaarde die bij overgang van onderneming overgaat op de verkrijger. Bedrijfspensioenfonds kan vorderingsrecht ontlenen aan artikel 7:663 BW. Verkrijger verplicht tot betaling achterstallige premies betreffende de overgenomen werknemers

GOM, een schoonmaakbedrijf dat deel uitmaakt van de Facilicom Services Groep, behoort tot de categorie ondernemingen waarvoor deelneming van de werknemers in het Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf (hierna: Bpf) verplicht is gesteld. Op 21 mei 2008 is tussen GOM (koper) en VBG (verkoper) een koopovereenkomst overeengekomen. Met ingang van 19 mei 2008 betaalt GOM de pensioenpremie voor de overgenomen werknemers aan Bpf. Bij brief van 6 april 2011 heeft Bpf aan Facilicom opgave gedaan van het totaalbedrag aan premieachterstand betreffende de door Facilicom van VBG overgenomen werknemers. GOM vordert thans voor recht te verklaren dat GOM niet gehouden is de achterstallige premies te betalen. Kern van het geschil is de vraag of een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen (een verplicht bedrijfspensioen) tot de ‘rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst’ als bedoeld in artikel 7:663 BW behoort, of dat artikel 7:663 BW slechts pensioenaanspraken betreft die zijn gebaseerd op een tussen werkgever en werknemer tot stand gekomen pensioenovereenkomst. Voorts is in geschil of een bedrijfspensioenfonds een vorderingsrecht kan ontlenen aan artikel 7:663 BW.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de wetsgeschiedenis van de Pensioenwet moet worden geconcludeerd dat om te kunnen spreken van een pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet er sprake moet zijn van een ‘koppeling met de arbeidsrelatie’. Bij het verplichte bedrijfspensioen is de koppeling met de arbeidsrelatie gebaseerd op de fictie dat de individuele werkgever en de individuele werknemer de pensioenregeling zijn overeengekomen. Voor de stelling van GOM dat de toepassing van de gelijkstelling van artikel 2 van de Pensioenwet is beperkt tot de op de werkgever rustende informatieplicht ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten in de (wetsgeschiedenis van de) Pensioenwet. Ook uit het Toetsingskader Wet Bpf 2000 (Stcrt. 2001, nr. 165, p. 8) waarin de criteria voor toetsing van een aanvraag om verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000 zijn vastgelegd, bevestigt dat het bij het verplichte bedrijfspensioen gaat om een arbeidsvoorwaarde en niet om een regeling waarbij de hoogte van de premie en de (eventueel) daar tegenoverstaande aanspraken van de werknemer, zonder bemoeienis van werkgever en werknemer bij de wet is bepaald. Het verplichte bedrijfspensioen is een arbeidsvoorwaarde. De uit deze arbeidsvoorwaarde voortvloeiende rechten en verplichtingen gaan bij overgang van onderneming van de vervreemder over op de verkrijger, inclusief de verplichting om de vóór de overgang van onderneming onbetaald gelaten premies af te dragen.

De vraag of een bedrijfspensioenfonds aan artikel 7:663 BW een eigen vorderingsrecht kan ontlenen tot betaling van de onbetaald gebleven premies wordt bevestigend beantwoord. Artikel 7:662 BW e.v. heeft tot doel de rechten van de werknemer te beschermen bij overgang van onderneming. De verplichting tot betaling van de pensioenpremie door de werkgever maakt deel uit van de arbeidsovereenkomst en is onlosmakelijk verbonden met het recht van de werknemer op pensioen. Niet-betaling van de pensioenpremie vormt daarom een aantasting van het te beschermen recht van de werknemer. Indien, zoals GOM stelt, slechts de werknemer – met uitsluiting van het (bedrijfs)pensioenfonds – een vorderingsrecht zou hebben tot betaling van de achterstallige premies, zou dit tot gevolg hebben dat alle individuele werknemers hun vorderingsrecht jegens de werkgever dienen in te roepen. Dit kan de bedoeling van de wetgever niet zijn. Daar komt nog bij dat bij het verplichte bedrijfspensioen als uitgangspunt geldt dat onbetaald blijven van de pensioenpremie er niet toe mag leiden dat geen pensioen wordt uitgekeerd, zodat de individuele werknemer niet snel een vordering wegens onbetaald gebleven premies zal instellen tegen zijn werkgever. Anders dan GOM betoogt leidt dit uitgangspunt er niet toe dat de werknemer geen belang heeft bij de betaling van de premie. Zoals Bpf heeft aangevoerd, zal een tekort aan premiebetaling immers uiteindelijk tot een aantasting van de pensioenrechten leiden.