Naar boven ↑

Rechtspraak

Met annotatie door mr. dr. G.W. van der Voet

werkneemster/Nederlandse Antillen

Accessoire arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege met beëindiging hoofdovereenkomst, indien de accessoire arbeidsovereenkomst een formele constructie betreft met een ‘werkgever’ om enkel de werknemer aangemeld te krijgen bij het ABP

Werkneemster heeft gesolliciteerd voor de functie hoofd afdeling Algemene en juridische zaken Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen te Den Haag. Op 1 april 2004 is zij gestart met de feitelijke werkzaamheden. Salaris en andere vergoedingen werden aan werkneemster betaald door de Nederlandse Antillen. Werkneemster is (ook) als werknemer van de stichting – onderdeel van het hiervoor genoemde Kabinet dat het mogelijk maakt aangesloten te zijn bij het ABP – bij het ABP aangemeld als deelnemer aan de pensioenregeling van het ABP. De Nederlandse Antillen heeft de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd. In deze zaak staat de vraag centraal met wie de arbeidsovereenkomst is gesloten en of beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de Nederlandse Antillen ook het einde van de arbeidsovereenkomst met de stichting impliceert. Het hof heeft, ‘voor zover sprake is van een dienstverband met de Stichting’, het standpunt van de stichting onderschreven dat ‘dit dienstverband niet alleen zozeer is verweven met, maar ook zozeer accessoir is aan het dienstverband tussen werkneemster en de Nederlandse Antillen, dat eerstgenoemd dienstverband geen zelfstandige betekenis heeft en daarom het lot van het dienstverband met de Nederlandse Antillen moet delen’. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie stellende dat een dergelijke uitleg zich niet verhoudt met titel 7.10 BW.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Voor dit geval heeft het hof naast de feiten omtrent de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst en de salarisbetaling, geoordeeld dat de stichting onderdeel is van het Kabinet en is opgericht om werknemers van het Kabinet te laten deelnemen aan de pensioenregeling van het ABP, dat de stichting, anders dan op het gebied van de ABP-regelingen, geen enkele invloed heeft op de materiële rechtspositie van werknemers van het Kabinet, en dat werkneemster daadwerkelijk is aangemeld als deelnemer in de pensioenregeling van het ABP. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat partijen het erover eens zijn dat de stichting ‘een formele constructie zonder eigen middelen’ is. Het bestreden oordeel moet dan aldus worden begrepen dat de Nederlandse Antillen door middel van de stichting aan werkneemster gelegenheid bood deel te nemen in de pensioenregeling van het ABP en dat, indien al op grond van de aanmelding bij het ABP moest worden aangenomen dat tussen werkneemster en de stichting een arbeidsovereenkomst bestond, partijen in de relatie tussen werkneemster en de stichting geen andere rechtsgevolgen hebben beoogd dan haar in de arbeidsovereenkomst met de Nederlandse Antillen aanspraak te geven op die deelneming. Die rechtsgevolgen zijn dan in zoverre afhankelijk van de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en de Nederlandse Antillen, dat het einde van die arbeidsovereenkomst ook het einde van verdere pensioenopbouw onder die arbeidsovereenkomst impliceert. Aldus begrepen geeft het bestreden oordeel geen blijk van miskenning van de regels voor ontslagbescherming van titel 7.10 BW. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.